Categorie archief: blog

Donker

We hebben onze zoon allebei al aangesproken met de foute naam (die van de kat). Gisteren bleek pas na enkele uren dat ik het schaap een pamper maatje 5 had omgedaan – uit de schuif van zijn grote zus. En ja, ik heb ’s nachts wel eens mijn hand uitgestoken om Simon wakker te schudden en hem te vragen waar Miles was om net op tijd te beseffen: gewoon hier, in je eigen armen, je hebt ‘m letterlijk vast, kalmeer. Mja. Mijn brein voelt een beetje als het Belgische treinverkeer, het bolt maar met aardig wat vertragingen en technische pannes. It’s clear from your vacant expressions, the lights are not all on upstairs.

‘Mama! Papaaa!’ Klik, nachtlampje aan. We schuifelen, met één open en één toegeplakt ooglid, op automatische piloot de gang door. ‘Het is nog donker buiten, kijk maar’ horen we onszelf zeggen tegen ons andere kindje, dat plots ook een paar gaten in onze nacht prikt. Misschien vindt ze het niet kunnen dat zij alleen ligt en wij allemaal samen. Misschien wil ze checken hoe snel we hier staan, aan haar zijde, moest er uit het donker plots iets opdoemen.

We maken net genoeg licht zodat ze ons kan zien. Nee, we gaan nog niet opstaan. Flesje? Kusje. Aaitje. Traantje wegvegen. Zoen voor de leeuw. Je deken. Slaap maar, schat, mama en papa slapen ook (zeiden ze vol hoop). Op kousenvoetjes weer terug, het nachtlampje klikt uit. Voor even. Tot de baby pruttelt en we hem op de tast niet kunnen helpen.

Light+on

’s Ochtends is er van de nachtelijke droefenis weinig te merken. ‘In een kein stashonnetje’ schalt door de badkamer en wij krijgen onze bevelen. ‘Bloek aandoen! Patoffeltjes! Allez kom!’. Het is nog altijd donker buiten. Ze is net groot genoeg om, op haar tenen, aan de lichtschakelaars te kunnen.

‘Zullen we zwaaien?’ Het is één van de weinige dingen waar ze ’s ochtends enthousiast over is. Ik til haar op de vensterbank en ze zet haar handjes tegen het keukenraam. Ze gaat door haar dak wanneer ze ziet dat de rosse poes van de buren buiten is. Er wonen geen mensen vlak achter ons, maar ik vraag me toch even af of iemand ons ziet staan. Ik heb nog niet in de spiegel gekeken, nog geen slok koffie op en ik draag het hemd waar ik in sliep, amper en waarschijnlijk fout geknoopt. Gelukkig kan ik me verstoppen achter Little Miss Sunshine. We zien een etage lager een fluohelm buitenstappen en beginnen te zwaaien. Dat blijven we doen tot het rode achterlicht de hoek omzwenkt. Ik zet haar terug op de grond en ze rent de kamer uit. Het begint te dagen.

 

 

 

 

 

Over tijd

Was hij even ongeduldig geweest als zijn grote zus, dan was onze tweede gisteren al ter wereld gekomen en zaten we hem nu aan te staren. Helaas. Hij doet het rustig aan en zit de hittegolf liever binnenskamers uit. Zou deze dan toch meer op mij lijken? Niets overhaast, gewoon volgens de afspraken, misschien een fractie te laat zelfs. Vorige week wist ik nochtans zéker dat hij in aantocht was: losse gewrichten, een waggelpas, plotse slapeloosheid en bijhorend humeur, geen twijfel aan. Ik trof nog snel wat extra voorbereidingen, maar het was blijkbaar om te lachen. Toch al één vaderlijk trekje.

most-months-have-30-or-31-days-except-the-last-month-of-pregnancy-which-has-1458-days-02b14Het is een rare periode, die laatste weken. Alsof ik zit te wachten op een belangrijk telefoontje dat over een minuut maar ook pas over 10 dagen kan komen. Eentje waar ik naar uitkijk, maar in hetzelfde moment ga vervloeken want raakt de vroedvrouw op tijd waar ze moet zijn en zorgt iemand intussen goed voor onze peuter en de pijn en het bloed en alles zal toch ok verlopen en hoe moest dit ook weer en zijn we niets vergeten te regelen?

Dat ik vorige keer overwoog om een playlist te maken doet me nu glimlachen. Niks mis mee, het is een fijn projectje om die laatste dagen te vullen en er zijn ongetwijfeld al vrouwen heel gelukkig akoestisch bevallen. Maar ik heb op geen enkel moment in het ziekenhuis gedacht ‘Dit zou stukken beter verlopen met een streepje synthesizer. Skip eens naar Kylie Minogue, schatje’. Ik had één missie en geen mentale ruimte voor randanimatie. Nee, mijn grote steun – naast mijn man, de medische mensen en af en toe een slokje water – was de klok. Voor we naar het ziekenhuis vertrokken was er de timer op mijn gsm: ik telde elke wee voorbij, telkens een kleine minuut. Ik zag die dag een tijdslijn vol kleine blokjes voor me en met elke kramp en elk kwartier wist ik dat ik weer een beetje opgeschoven was richting einde van deze uitputtingsslag. Dat idee hielp me vroeger al tijdens de examens: ‘Wat er ook gebeurt, over x aantal uur is het voorbij en dat moment komt’.

Ondanks mijn ongeduld en gesakker van de voorbije dagen is de kans groot dat dit de laatste zwangere dagen uit mijn leven zijn en zou ik deze periode eigenlijk moeten koesteren in plaats van de tijd vooruit te wensen. Alles verloopt goed en dat is van onschatbare waarde. En ‘het gaat toch allemaal snel, madam’. The days are long but the years are short, zo dat. Het lijkt nog niet zo lang geleden dat we onze dochter voor het eerst zagen en die kan intussen alleen de trap op en af terwijl ze tegelijk de kat onder zijn voeten geeft. Bovendien gaat ze – al dan niet van harte – weer naar de crèche en is er warempel TIJD. Om te douchen, om wat administratie af te prutsen en om eens rustig (ja, de waggelpas is niet weggegaan) naar de winkel te slenteren. Eens haar broer er is, dondert onze kajak een nieuwe waterval af en gaan we maandenlang niet weten wat boven of onder is. Elke dag – en vooral nacht – zal uit pijnlijk korte blokjes bestaan. En onze oudste zal zich afvragen wanneer ze nog eens voltijds op ons kan rekenen, in plaats van on hold te worden gezet met ‘Een minuutje, schat, mama/papa moet eerst de baby even…’.

Sorry voor al onze bijgelovige acties de voorbije dagen om je op te jutten, baby. Je hebt groot gelijk, doe maar rustig. (Is dit een transparante poging om hem aan te porren zodat hij geboren wordt zodra ik dit bericht deel? 100%. Gaat het werken? Dat hangt er maar weer van af op wie hij lijkt.)

Kaëll

Van peuters kan je veel leren. Met stip op 1: how to give zero fucks. Dat lieve blonde meisje dat zo schattig kan grijnzen en kushandjes kan gooien, ramt ook zonder pardon haar felroze wagentje tegen je schenen of tegen de deur, opnieuw en opnieuw. En opnieuw. Ze gedraagt zich over het algemeen voorbeeldig in de supermarkt, maar als ze het beu is, prikt ze lekker wat gaatjes in vaccum verpakte boodschappen. De voorbije week was ze ziek en gaf ze over in de crèche. Niet met veel misbaar, zoals een normalerik, maar effe casual tussen het speelgoed waarna ze rustig verder banjerde. Wij begroeten nieuwe gezichten op z’n minst beleefd en steken een vieze hap subtiel weg in een serviette, peuters beginnen gewoon te krijsen en te spuwen. ALLES KAPOT. Peuters don’t care.

Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Want het moet het juiste lepeltje zijn. En de juiste knuffel. En het juiste boekje. Verrassingen kunnen, zeker, maar wat enigszins routine is, moet dat ook wel blijven. Wachten is geen sinecure. Ververst worden is soms een kwelling en als ze uitgeput zijn kan niks nog. Gelukkig is mode nog geen twistpunt. We kunnen haar eigenlijk aantrekken wat we willen (zolang zij de schoenen mag kiezen. En de jas). ‘Klaaaa’, klinkt het dan tevreden, eens ook de tweede schoen aan is. Soms met twee opengesperde handjes, als een kleine Bart Kaëll die het podium opstapt.

Mijn moederdagvoornemen van dit jaar is om meer zoals zij in het leven te staan. Niet dat ik plots mijn beker lauwe koffie tergend traag over mijn bureau ga uitgieten of mijn stoel vijftien keer tegen het been van een collega ga aanrammen terwijl die geduldig ‘Niet doen’ zegt. Maar gewoon, iets minder deksel op alles en iets meer Kaëll. Klaar.

Barst

Gisteren viel er rinkelend een glas op de grond. Het stond dan ook op een plaats waar ze aan kon. Of bovenop iets waar ze aan kon. Maakt niet uit. Ik kijk naar haar peutergezichtje. Ze is niet geschrokken, dat heeft ze sowieso niet snel. Ook niet beteuterd, beschaamd of boos. Ze staat gewoon een beetje koeltjes te kijken naar de scherven. Lang niet zo leuk als de regenmaker die ze daarnet cadeau kreeg. Ik neem haar mee naar een andere kamer om haar pyjama aan te trekken terwijl Simon stoffer en blik haalt. Ze protesteert even maar legt zich, eenmaal op weg naar boven, bij haar lot neer. Ze zegt tegenwoordig zelfs iets dat lijkt op ‘Slaapwel’ wanneer we de deur zachtjes achter ons sluiten. Grappig hoe ze onze intonatie en die van de dames op de crèche perfect imiteert. ‘Sjaaa-we’.

Ik probeer een tekstje te schrijven voor een vriend, maar scroll tussendoor een beetje dwangmatig (is er een andere manier) op Twitter. Ook daar ligt veel in scherven. De dood – onverwacht, agressief – overheerst vanavond, naast verdriet en woede. Er passeert toevallig een artikel over het ouderschap, met de zin All that fierce love you have for your kids comes with a huge amount of serious anxiety that you will NEVER shake off until you die.

Dat de dierenwereld – die natuurlijk gewoon onze eigen wereld is – dag na dag grotere barsten vertoont, stond gisteren nog eens in hoofdletters in de krant. Steeds meer wezens worden ziek van het huidige systeem, maar de paardenmolen stoppen blijkt niet zo makkelijk. Ik weet even niet van waar het meest acute gevaar komt.

Barst-e1466498042392

Ik wrijf over mijn buik. In wat voor kermis kom jij terecht, samen met dat zoete zusje van je? Misschien bij de smoutebollen, met wangen vol poeder en plakhandjes. Of in een schreeuwerige achtbaan waarvan de bouten goed vast zitten, als dat je ding is. Jullie mogen zelfs achter een kraam, tussen de rommel en die dikke elektriciteitsdraden, stiekem staan lachen met jullie vriendjes omdat jullie iets doen wat niet mag. Ik hoop alleen dat er niets op jullie hoofd valt. Dat er alleen krijtjes uit elkaar knallen en enkel eendjes worden geschaakt. Dat jullie niet verloren lopen en de foute hoek omslaan. Of verdwalen in een monsterlijk spiegelpaleis waarin jullie telkens tegen een onwrikbare wand lopen, welke kant jullie ook uitrennen. Dat de grond onder jullie botsauto niet plots opensplijt, tot een kloof waar ook wij dan onvermijdelijk mee in zouden tuimelen.

Botsen mag. Dat zal niet anders kunnen. Maar niet uit elkaar barsten. Alsjeblieft.

 

De Tweede

‘En, nog geen plannen voor een tweede?’. Ik heb de vraag nooit vervelend gevonden, maar laten we wel wezen: die is net zo ongepast als ‘En, wanneer beginnen jullie eraan?’. Misschien lukt het niet. Of willen jullie het gewoon niet. En vooral: it is nobody else’s businessssss. Toch vinden veel mensen het een totaal onschuldige vraag. Je bent de wondere wereld van het ouderschap met haar gebroken nachten en knijpzakjes met fruit al ingetuimeld, toch? Waarom zou je dan niet blijven gaan?

Net zoals je bij een tweede kind wat minder kraambezoek en minder kaartjes in de bus krijgt, zijn er ook veel minder boeken en artikels aan gewijd. ‘What to expect when you’re expecting’ weet je al, dus dat is dan klaar, lijkt de markt te denken. Er is nochtans genoeg om over te praten. Waarom hebben alle gezinnen in reclamespots 2 kinderen? Hoeveel jaloezie en ruzie haal je de stadsmuren binnen met die tweede? Klopt het cliché over verwende enige kinderen? Of worden zij net perfect opgevoed, op de schoot bij hun relatief uitgeruste en aandachtige ouderpaar?

Over dat soort vragen gaat ‘De Tweede’ van Lynn Berger, een boek ‘over het zijn en krijgen van een tweede kind’. Geen dikke academische turf, maar een oprechte zoektocht van een moeder langs wetenschappelijke literatuur en haar eigen leven als oudere zus. Ze is benieuwd: Hoeveel sociale druk voelen we om voor meer dan één kind te gaan? Wat met studies die aantonen dat een tweede kind (laat staan een derde) ouders objectief niet gelukkiger maakt dan een eerste? Maakt je positie in je ge9200000101062181zin echt iets uit? Of projecteren we met z’n allen gewoon veel op die ‘slimme, verantwoordelijke, ernstige’ oudste? Begin je als kind 2 al met een achterstand aan een leven van permanente vergelijking? Of is het een zegen om in een geoliede machine terecht te komen bij mensen die de tijd niet meer hebben om permanent boven je hoofd te helikopteren?

Het is een boeiend boek, ik heb een hoop passages gelezen en herlezen met een blik van herkenning. Maar er staan geen eenduidige ja-nee-antwoorden in, voor wie daar op hoopt. Daar zijn nog veel langere en meer uitgebreide studies voor nodig, rond duizenden gezinnen, over verschillende generaties. Het boek doet wat het maximaal kan en dat is een hoop bedenkingen en afwegingen op een rijtje zetten, een aantal enerzijds-anderzijdsen. Een paar onaangename waarheden die de Dreambabys van deze wereld angstvallig geheim willen houden, afgewisseld met warme, fijne anekdotes over wat het ouderschap onwaarschijnlijk mooi maakt. En daar doe je als volwassene dan vooral maar mee wat je zelf wil. Gelukkig maar. ‘Tweede kind = totale rampspoed’ zou een bittere pil geweest zijn: ik ben op dit moment halverwege mijn tweede zwangerschap.

Ronde twee

Fysiek is het deze keer, om welke reden dan ook, een stuk makkelijker. Praktisch weten we veel beter waar we aan toe zijn. Maar mentaal is het andere koek. Want ook daar weten we veel beter waar we aan toe zijn, over een maand of vier. Geheugenverlies heeft z’n werk gedaan maar niet zo grondig dat ik vergeten ben hoe beurs je lichaam aanvoelt tijdens en onmiddellijk na een bevalling. Ik kijk niet uit naar het tetra-gemors met uitgespuwde melk (‘teruggeven’ is echt een belachelijk beleefde term, het is niet alsof je baby er een strikje rond doet en zegt ‘Weet je, ik ga toch passen, maar ik waardeer de moeite, echt’). De diepe bezorgdheid die nooit meer weg gaat maar toch nog een extra randje heeft die allereerste maanden wanneer je starende walnootbaby nog zo weinig reserve en autonomie heeft. De fluïditeit van de tijd, met cycli van 2 of 3 uur. Het is een heel bijzondere periode, intiem, puur. Ik wil er absoluut niet ondankbaar voor lijken. Maar er zit ook veel herhaling, routine en eenzaamheid achter. En onvermijdelijk beginnen we er deze keer aan met een tikkeltje minder verwondering en nieuwsgierigheid. En met een olijke peuter in huis. Vooral dat.

Meer dan ooit geniet ik van haar priemende blik, haar schaamteloos gepor in de wereld om haar heen en de met niets te vergelijken weldaad van haar giechel. Toen ik pas weer zwanger was, voelde dat allemaal plots bitterzoet aan. Wat zal er met onze unit gebeuren? Nemen we haar iets af? We kunnen haar veel aandacht geven, veel op haar tempo afstemmen en elkaar als ouders afwisselen. Wat als leuke momenten binnenkort de hele tijd onderbroken worden door baby-behoeftes en ik de teleurstelling op haar gezicht lees? Wat als zij door een lastige peuterfase gaat net op een moment dat ik al uitgeput en leeg ben, en daardoor te hard reageer op haar driftbuien? Is het idee van een tweede gewoon leuker dan de realiteit?

sibling-rivalry

Rivaliteit

Wat geen enkele studie hoeft te bewijzen is het basisverschil: een eerste kind zet trots stapjes in verse sneeuw, alle anderen worden onvermijdelijk geconfronteerd met de bestaande sporen. Als jongste heb je een ander, ouder kind naast je om op te reageren, om te imiteren, om je mee te meten. En ook de ouders kunnen nu vergelijken: ‘Onze tweede is een pak rustiger’ of ‘We beseffen nu pas hoe weinig de oudste at, wisten wij veel’. De silver lining: een jonger kind leert vanaf het begin beter te delen en leert in het algemeen veel van de oudste. De oudste leeft zich in in de jongste, ook een belangrijke vaardigheid. De minder fonkelende lining: de observaties van de ouders, hoe subjectief ook, worden vaak waarheid. Als een kind maar vaak genoeg hoort dat het iets is, gaat het zich daar ook naar gedragen. We bevestigen de oudste constant in hoe flink en groot hij of zij is en zeggen dan verbaasd ‘Toch straf dat de oudsten altijd van die verantwoordelijke types zijn’. Beetje mee opletten dus. Zeg liever gewoon ‘Je bent aan het morsen’ dan ‘Kijk eens hoe netjes je zus eet?’.

Ik ken niemand die in perfecte harmonie is opgegroeid met z’n broers of zussen. Een optimist zou zeggen: prima, want conflicten maken deel uit van het leven – en je training kan maar beter op tijd beginnen. Een Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog omschrijft het grote voordeel zo: ‘Je kunt je broers en zussen de huid vol schelden, de volgende dag zitten ze toch weer naast je aan het ontbijt’. En dus zoek je, willen of niet, naar een manier om met elkaar samen te leven. Interessant is dat ouders die in het algemeen geen goede band hadden met hun broers en zussen meer hun best doen om het met hun eigen kinderen anders aan te pakken. Ze zijn heel bewust bezig met wat er speelt, in tegenstelling tot ouders die ervan uitgaan dat het allemaal wel losloopt.

Sommige eerste kinderen krijgen last van woedeaanvallen, regressief gedrag en bedplassen – anderen lijken het amper te merken dat er een baby is bijgekomen. In die nieuwe broer- of zusrelatie zit alles: ‘honderd nieuwe aanleidingen voor angst en vertedering en verbazing’. Je kent elkaars wereld door en door (zoet) én net daarom kan je elkaar als geen ander irriteren (bitter). Er is onvoorwaardelijke steun én diepgewortelde rivaliteit. Berger observeert: ‘Het slechte beïnvloedt ons sterker dan het goede. Vandaar dat psychologen zich lange tijd meer interesseerden voor de zaken die ons doen wankelen (…) Vandaar misschien ook dat veel ouders die een tweede verwachten vooral vrezen voor wat er mis kan gaan’. Wat me toch wat onrustig maakt is lezen dat ‘het negatieve effect van een conflictrijke broer-zusrelatie groter is dan het positieve effect van een warme band’. Berger concludeert: ‘Kennelijk hebben de meesten van ons genoeg vertrouwen in de goede afloop – of zijn we zo huiverig voor het alternatief, een enig kind – om het risico gewoon te nemen’.Parenting-3

Roedel

Een eerste kind heeft gemiddeld 2 jaar exclusieve aandacht van zijn ouders, een luxe die enkel voor hem of haar is weggelegd. Datzelfde kind heeft wellicht het langst de strengste, meest consequente en meest pedagogisch ambitieuze ouders van de bende – er bestaan genoeg cartoons over hoeveel lakser je met elk kind wordt qua regels, gezond eten, TV-tijd en ga zo maar door. Schoppen de eersten het daarom verder? Gaan ze meer verdienen later? Wat een onmogelijke vraag, besluit Berger. ‘Het samenleven met ons viertal voelt eerder als een ingewikkelde choreografie dan als een wedstrijd. Onze roedel oefent in routine, niet voor een race. The winner takes it all, survival of the fittest: het is een absurde lens om het gezinsleven door te bekijken’.

Berger neemt afscheid van haar lezers met een ontroerend besluit: geen enkele ouder begint met een leeg blad. Maar je kan wel proberen om je verwachtingen te zien voor wat ze zijn. Om het verhaal van je kind ‘niet al van tevoren te vertellen (…) en niets anders te doen dan te luisteren en te kijken’. Dat is op een manier meteen alles wat ik wou weten.

Getagged , , , ,

Op 1, 2 en 3

De app op mijn telefoon is er zeker van: het is dag 123. Je zou het niet zeggen. Onder losse hemden en donkere pulls valt mijn buik nog niet op en er worden nog geen workshops Russisch volksdansen georganiseerd achter mijn navel. Elke week tikt bijna achteloos voorbij deze keer. Veel dingen die we vorige keer plat gegoogled hebben, zitten nog in ons hoofd. Alle babyspullen zijn in huis. En we moeten ons niet meer inbeelden hoe het zal zijn, want het is al.

We lezen samen een boek, ‘Hoe laat is het, Muis?‘. Daar zit een klok in met wijzers die ronddraaien. Frances duwt ze eerst tegen de richting in en ik zeg ‘Nee, zo gaat de tijd niet’. Naar goede gewoonte bladert ze als een razende vooruit en ik zeg ‘Wacht, je gaat te snel’. Ze doddert weg op de pantoffeltjes die haar nonkel meebracht uit Marokko, vrolijk taterend en wijzend naar dingen die alleen zij lijkt te zien. Op 1, 2, 3, heet dat dan.

Sneller dan ik het zal beseffen, zijn jullie zijn met 3 onder dit dak. Drie mensen met elk hun schoenen in de kast en hun jassen aan de kapstok. Met hun vaste plaatsen rond de tafel, hun omiskenbare voetstappen op de houten trap en ongetwijfeld hun eigen tempo. Drie mensen die samen op de eerste plaats komen. Misschien toch iets dat ik deze keer kan googlen.

three-fingers-painted-with-happy-face_450

Klein leven

Toen ik een paar jaar geleden Een klein Leven doorworstelde op vakantie in Colombia vroeg Simon me op een bepaald moment wat ik in godsnaam aan het lezen was. Een boek dat ik regelmatig even aan de kant moest leggen. Dat mijn maag deed keren en mijn mond droog maakte. Dat me van slag bracht, terwijl ik op een zonnig strand zat met mijn lief. Beetje mentaal masochisme.

Een paar jaar later is er een T-shirt (hoeveel boeken kunnen dat zeggen?) en een uitverkochte theatervoorstelling . Mijn collega Vicky en ik zoeken koortsachtig naar tickets en vinden ze ook – achteraf bekeken een beetje ironisch: ik haal niet eens de helft.

Een kwartier voor de pauze krijg ik het lastig. Vlak voor mijn neus – we zitten op stoeltjes op de scène – wordt Ramsey/Jude vernederd, vernietigd, mentaal verbrijzeld. Ik weet dat het niet echt is en toch wil ik dat het stopt. Ik probeer me af te sluiten, even maar, tot de gruwel een tik wordt teruggeschakeld. Het volgende dat ik me herinner is dat een stevige man met een zwart t-shirt me de zaal uitdraagt en zachtjes op de grond legt. Ik hoor stemmen, het geritsel van een plastic zak over mijn mond. Ik voel een hand die over mijn haren streelt, scherpe tintelingen in mijn voeten en handen, kromgetrokken vingers die ik met de beste wil van de wereld niet kan ontspannen. Simon wordt gebeld. Ik weet niet meer hoe vaak ik al rustig heb uitgeademd. Het is pauze. Ik lig hier nog altijd. Ik wil me herpakken, maar raak nergens. Mijn beschermengel, de dokter die de zaal voor mij verliet, hakt de knoop door: “Ik denk dat we beter een ambulance laten komen. Het duurt te lang”.

Flauwvallen kende ik, hyperventileren is een ander beestje. Een verpletterend leeg gevoel dat zelfs na een baxter maar tergend langzaam wegzakt. Wat was dat? Was het gewoon, stom, een te warme zaal, een te lege maag? Een eenmalig dingetje? Zou het nog eens kunnen gebeuren? Moet ik hier iets mee?

Het houdt me, een paar dagen later, nog behoorlijk bezig. Ik lees minder dan ik normaal zou doen over de Amerikaanse opperrechter. Nu even niet. Misschien holt de alledaags apocalyps me meer uit dan ik besef. Bepaalde waarden en doelen, die ik altijd evident vond, worden openlijk en zelfs met trots vertrappeld. Mensen worden niet teruggefloten maar beloond voor hun gedrag. De planeet smeult en we kijken er naar. Ik zag hoe Jude/Ramsey zich amper kon verdedigen en dacht aan dat filmpje van BBC Africa over twee moeders met baby’s op hun rug gebonden die koelbloedig worden geëxecuteerd. Die voordien nog wat meppen krijgen van mannen in uniformen, alsof ze nog enige bedreiging vormen. Geen theater. En in die draaikolk hebben wij een nieuw meisje losgelaten dat we met elk jaar dat voorbijgaat minder goed gaan kunnen beschermen. Misschien niet zo raar dat ik minder goed tegen ontmenselijking kan nu ik zelf een mens heb gemaakt.

Anderzijds. Wat deed Vicky dat onzettend goed: hulp halen, Simon op de hoogte houden, mijn gedachten lezen. Wat was die zaalman lief, en die dokter uit Hoeilaart en de mensen van het ziekenhuis en onze vrienden. Wat een fijn weekend werd het uiteindelijk, met mijn twee families die ik zo graag zie, enthousiaste kindjes en doodbrave alpaca’s (jawel). Ik krijg lieve, bezorgde boodschappen. Onze baby is haar vrolijke zelve, frazelt en zwaait en legt elke dag een halve marathon af in de hoop ooit de kat te kunnen knuffelen. Ik houd deze week het leven maar even klein, denk ik.

Voor lezen: Quentin Blake

Op 13 september is Roald Dahl jarig en dat wordt elk jaar gevierd. Een geniale schrijver, een intens figuur privé (de biografie “Storyteller” van Donald Sturrock is een aanrader). Voor mij zijn zijn boeken onlosmakelijk verbonden met de tekeningen van Quentin Blake. De onnavolgbare stijl van Blake – 85 intussen – is bedrieglijk simpel, een beetje piekerig. En toch zit er onmiskenbaar veel leven en emotie in zijn krabbels. Een oersterke observator, die niet verleerd is om voluit te tekenen. Kijk maar hoe onbevangen hij een Hornswoggler op papier tovert.

 

De mooiste quotes van Quentin Blake:

  • ‘I do like children, but only as people. Not as if they’re a special category.’ 
  • ‘I’ve always thought that the writer is the front end of the horse, as it were.’
  • ‘If you draw, you find out things that perhaps you didn’t know. I’ve occasionally had to encourage people to do it…. You draw, and you think, I don’t draw very well, and that doesn’t look much like it, does it? But if you go away from what you’re drawing and look at it later, there will be something in there that you saw, you will have taken away something from what it is. I think a lot of young people get discouraged because they can’t draw photographic realism or whatever: drawing isn’t like that, it’s another language and you can talk it with different accents, so to speak.’ (Beluister hier het hele interview)
  • ‘It’s scratchy and looks like it hasn’t been finished, but really its exactly what I intend.’
  • ‘I draw every day – unless I’m being interviewed.’
  • ‘They do tend to assume that because you do children’s books everything must be bland and optimistic. I mean, I’ve got a pretty strong line in optimism myself, but there are other things to life, aren’t there?’
  • ‘When I draw a character, I try to make it defined – but not to close it up completely. It’s as if I’m a go-between between the writer and the reader.’

 

Volg Voor Lezen ook op Instagram!

 

Getagged , ,

Voor lezen: De Leeuw en het Vogeltje

Marianne Dubuc is een jonge (°1980) schrijfster en illustratrice uit Montreal. Ze schreef onder meer een reeks boeken over “Facteur Souris”, een muis met een postroute dus. Dat zijn leuke boeken met veel doorsnedes – mijn all time favorite soort prenten zijn door midden gesneden huizen en boten en fabrieken en ziekenhuizen, net volgestouwde poppenhuizen in 2D – en kleine visuele mopjes.

Maar haar prentenboek “Le lion et l’oiseau” is nog een ander paar mouwen. “De leeuw en het vogeltje” is een uitzonderlijk rustig prentenboek. Zo rustig dat er halverwege zelfs twee blanco pagina’s zitten. De zachte kleuren en de schaarse zinnen doen de rest: zonder dat je het goed en wel beseft, ga je trager ademen. Het verhaal is eenvoudig: een alleenstaande leeuw die graag tuiniert vindt op een dag een gewond vogeltje. Hij ontfermt zich over het diertje en ze brengen een lange, koude winter samen door (“Maar met twee is het best uit te houden”).

In de lente keert de zwerm van het vogeltje terug en volgt een hartverscheurend afscheid (“Ja ja, ik weet het wel”). En dan volgt het mooiste: een open einde. Het komt niet per se goed. Eén winter was misschien de enige winter.

Prettig pijnlijke poëzie. Van toepassing op liefde, maar ook op vriendschap (want boy, verandert er één en ander eens baby’s de scène betreden) en wellicht ook op het ouderschap. Een beetje een wrede grap, toch wel: je krijgt een wezentje in je armen dat je liever ziet dan eender wie en daarna volgt een levenslange, hemeltergende oefening in loslaten.

“Hoe warmer het nest, hoe verder je kan vliegen”, zegt mijn vader dan.

 

Volg Voor Lezen ook op Instagram!

 

Getagged , , , , , , , , ,

Boe(k)

Kinderen krijgen blijft niet zonder gevolgen. Deze zomer zei ik enthousiast tegen een andere mama “Ah, jullie hebben ook de Koetje Boe Bal!” waarop ze mij informeerde dat het geloei dat ik net gehoord had gewoon van een koe kwam. Je weet wel. In de wei. Daar. Ze was zo vriendelijk om daarna met mij te blijven praten, maar je moet niet vragen hoe diep de “Boe boe boe, zegt de koe, speel met mij, dat maakt me vrolijk en blij” in al mijn cortexen gestuwd is de afgelopen maanden.

Heb je geen flauw idee wat een Koetje Boe Bal is, dan ben je waarschijnlijk ook iemand die nog veel echte boeken leest. Ik doe mijn best maar het is even geleden dat ik nog iets uitlas dat me van mijn sokken blies. Ik heb “Tonio” meer dan 400 bladzijden lang volgehouden, uit een soort “ik moet het goed vinden, want volgens de flaptekst vond iedereen het waanzinnig en monumentaal en aangrijpend en het IS ook wel triest”-verplichting, maar het staat sinds vandaag terug in de bib. Ik voelde het niet. In plaats van in het verhaal te worden gezogen duwden veel passages me net weg. Ik zat heel dicht bij een intense man die ik eigenlijk…niet wilde leren kennen. En laten we een koe een koe noemen, dat heb ik in mijn single days vaak genoeg gedaan, ha! Exit hedendaagse klassieker dus.

De Acht Bergen” en “Buzz Aldrin” heb ik zonder enige moeite uitgelezen, maar mijn adem stokte er niet van. Voorlopig heb ik enkel bij “Lente” van Karl Ove Knausgard al hele paragrafen willen herlezen en zorgvuldig proeven, niet toevallig omdat het over het dagelijks leven met een baby van 3 maanden gaat en ik toen dagelijks met een baby van drie maanden leefde. Misschien lees ik tegenwoordig te gefragmenteerd om echt diep in een verhaal te duiken – en werkte Knausgard omdat hij korte vignetjes schrijft. Al ben ik “Educated” van Tara Westover – die opgroeide in een  geïsoleerd en behoorlijk dysfunctioneel gezin in Idaho – nu toch in grote happen aan het opslokken.

Gelukkig zijn daar ook: kinderboeken! Voorlezen wordt steeds leuker – tot een paar maanden geleden voelde het redelijk pointless, maar nu onze dochter rustig mee naar elke pagina kijkt (en al eens iets aanwijst) in plaats van papier als een food group te beschouwen, heb ik er zelf ook meer lol in. Ik weet dat er al ettelijke sites en blogs en instagrams bestaan over kinder- en prentenboeken, maar de mooiste titels wil ik hier toch graag delen. Het is een genre waarin zoveel talent schittert, in België en ver daarbuiten. De illustraties zijn vaak onwaarschijnlijk mooi. En veel zeggen met weinig tekst, daar ben ik tegenwoordig geweldig voor te vinden.

Getagged , , , , ,