Categorie archief: blog

Klein leven

Toen ik een paar jaar geleden Een klein Leven doorworstelde op vakantie in Colombia vroeg Simon me op een bepaald moment wat ik in godsnaam aan het lezen was. Een boek dat ik regelmatig even aan de kant moest leggen. Dat mijn maag deed keren en mijn mond droog maakte. Dat me van slag bracht, terwijl ik op een zonnig strand zat met mijn lief. Beetje mentaal masochisme.

Een paar jaar later is er een T-shirt (hoeveel boeken kunnen dat zeggen?) en een uitverkochte theatervoorstelling . Mijn collega Vicky en ik zoeken koortsachtig naar tickets en vinden ze ook – achteraf bekeken een beetje ironisch: ik haal niet eens de helft.

Een kwartier voor de pauze krijg ik het lastig. Vlak voor mijn neus – we zitten op stoeltjes op de scène – wordt Ramsey/Jude vernederd, vernietigd, mentaal verbrijzeld. Ik weet dat het niet echt is en toch wil ik dat het stopt. Ik probeer me af te sluiten, even maar, tot de gruwel een tik wordt teruggeschakeld. Het volgende dat ik me herinner is dat een stevige man met een zwart t-shirt me de zaal uitdraagt en zachtjes op de grond legt. Ik hoor stemmen, het geritsel van een plastic zak over mijn mond. Ik voel een hand die over mijn haren streelt, scherpe tintelingen in mijn voeten en handen, kromgetrokken vingers die ik met de beste wil van de wereld niet kan ontspannen. Simon wordt gebeld. Ik weet niet meer hoe vaak ik al rustig heb uitgeademd. Het is pauze. Ik lig hier nog altijd. Ik wil me herpakken, maar raak nergens. Mijn beschermengel, de dokter die de zaal voor mij verliet, hakt de knoop door: “Ik denk dat we beter een ambulance laten komen. Het duurt te lang”.

Flauwvallen kende ik, hyperventileren is een ander beestje. Een verpletterend leeg gevoel dat zelfs na een baxter maar tergend langzaam wegzakt. Wat was dat? Was het gewoon, stom, een te warme zaal, een te lege maag? Een eenmalig dingetje? Zou het nog eens kunnen gebeuren? Moet ik hier iets mee?

Het houdt me, een paar dagen later, nog behoorlijk bezig. Ik lees minder dan ik normaal zou doen over de Amerikaanse opperrechter. Nu even niet. Misschien holt de alledaags apocalyps me meer uit dan ik besef. Bepaalde waarden en doelen, die ik altijd evident vond, worden openlijk en zelfs met trots vertrappeld. Mensen worden niet teruggefloten maar beloond voor hun gedrag. De planeet smeult en we kijken er naar. Ik zag hoe Jude/Ramsey zich amper kon verdedigen en dacht aan dat filmpje van BBC Africa over twee moeders met baby’s op hun rug gebonden die koelbloedig worden geëxecuteerd. Die voordien nog wat meppen krijgen van mannen in uniformen, alsof ze nog enige bedreiging vormen. Geen theater. En in die draaikolk hebben wij een nieuw meisje losgelaten dat we met elk jaar dat voorbijgaat minder goed gaan kunnen beschermen. Misschien niet zo raar dat ik minder goed tegen ontmenselijking kan nu ik zelf een mens heb gemaakt.

Anderzijds. Wat deed Vicky dat onzettend goed: hulp halen, Simon op de hoogte houden, mijn gedachten lezen. Wat was die zaalman lief, en die dokter uit Hoeilaart en de mensen van het ziekenhuis en onze vrienden. Wat een fijn weekend werd het uiteindelijk, met mijn twee families die ik zo graag zie, enthousiaste kindjes en doodbrave alpaca’s (jawel). Ik krijg lieve, bezorgde boodschappen. Onze baby is haar vrolijke zelve, frazelt en zwaait en legt elke dag een halve marathon af in de hoop ooit de kat te kunnen knuffelen. Ik houd deze week het leven maar even klein, denk ik.

Advertenties

Voor lezen: Quentin Blake

Op 13 september is Roald Dahl jarig en dat wordt elk jaar gevierd. Een geniale schrijver, een intens figuur privé (de biografie “Storyteller” van Donald Sturrock is een aanrader). Voor mij zijn zijn boeken onlosmakelijk verbonden met de tekeningen van Quentin Blake. De onnavolgbare stijl van Blake – 85 intussen – is bedrieglijk simpel, een beetje piekerig. En toch zit er onmiskenbaar veel leven en emotie in zijn krabbels. Een oersterke observator, die niet verleerd is om voluit te tekenen. Kijk maar hoe onbevangen hij een Hornswoggler op papier tovert.

 

De mooiste quotes van Quentin Blake:

  • ‘I do like children, but only as people. Not as if they’re a special category.’ 
  • ‘I’ve always thought that the writer is the front end of the horse, as it were.’
  • ‘If you draw, you find out things that perhaps you didn’t know. I’ve occasionally had to encourage people to do it…. You draw, and you think, I don’t draw very well, and that doesn’t look much like it, does it? But if you go away from what you’re drawing and look at it later, there will be something in there that you saw, you will have taken away something from what it is. I think a lot of young people get discouraged because they can’t draw photographic realism or whatever: drawing isn’t like that, it’s another language and you can talk it with different accents, so to speak.’ (Beluister hier het hele interview)
  • ‘It’s scratchy and looks like it hasn’t been finished, but really its exactly what I intend.’
  • ‘I draw every day – unless I’m being interviewed.’
  • ‘They do tend to assume that because you do children’s books everything must be bland and optimistic. I mean, I’ve got a pretty strong line in optimism myself, but there are other things to life, aren’t there?’
  • ‘When I draw a character, I try to make it defined – but not to close it up completely. It’s as if I’m a go-between between the writer and the reader.’

 

Volg Voor Lezen ook op Instagram!

 

Getagged , ,

Voor lezen: De Leeuw en het Vogeltje

Marianne Dubuc is een jonge (°1980) schrijfster en illustratrice uit Montreal. Ze schreef onder meer een reeks boeken over “Facteur Souris”, een muis met een postroute dus. Dat zijn leuke boeken met veel doorsnedes – mijn all time favorite soort prenten zijn door midden gesneden huizen en boten en fabrieken en ziekenhuizen, net volgestouwde poppenhuizen in 2D – en kleine visuele mopjes.

Maar haar prentenboek “Le lion et l’oiseau” is nog een ander paar mouwen. “De leeuw en het vogeltje” is een uitzonderlijk rustig prentenboek. Zo rustig dat er halverwege zelfs twee blanco pagina’s zitten. De zachte kleuren en de schaarse zinnen doen de rest: zonder dat je het goed en wel beseft, ga je trager ademen. Het verhaal is eenvoudig: een alleenstaande leeuw die graag tuiniert vindt op een dag een gewond vogeltje. Hij ontfermt zich over het diertje en ze brengen een lange, koude winter samen door (“Maar met twee is het best uit te houden”).

In de lente keert de zwerm van het vogeltje terug en volgt een hartverscheurend afscheid (“Ja ja, ik weet het wel”). En dan volgt het mooiste: een open einde. Het komt niet per se goed. Eén winter was misschien de enige winter.

Prettig pijnlijke poëzie. Van toepassing op liefde, maar ook op vriendschap (want boy, verandert er één en ander eens baby’s de scène betreden) en wellicht ook op het ouderschap. Een beetje een wrede grap, toch wel: je krijgt een wezentje in je armen dat je liever ziet dan eender wie en daarna volgt een levenslange, hemeltergende oefening in loslaten.

“Hoe warmer het nest, hoe verder je kan vliegen”, zegt mijn vader dan.

 

Volg Voor Lezen ook op Instagram!

 

Getagged , , , , , , , , ,

Boe(k)

Kinderen krijgen blijft niet zonder gevolgen. Deze zomer zei ik enthousiast tegen een andere mama “Ah, jullie hebben ook de Koetje Boe Bal!” waarop ze mij informeerde dat het geloei dat ik net gehoord had gewoon van een koe kwam. Je weet wel. In de wei. Daar. Ze was zo vriendelijk om daarna met mij te blijven praten, maar je moet niet vragen hoe diep de “Boe boe boe, zegt de koe, speel met mij, dat maakt me vrolijk en blij” in al mijn cortexen gestuwd is de afgelopen maanden.

Heb je geen flauw idee wat een Koetje Boe Bal is, dan ben je waarschijnlijk ook iemand die nog veel echte boeken leest. Ik doe mijn best maar het is even geleden dat ik nog iets uitlas dat me van mijn sokken blies. Ik heb “Tonio” meer dan 400 bladzijden lang volgehouden, uit een soort “ik moet het goed vinden, want volgens de flaptekst vond iedereen het waanzinnig en monumentaal en aangrijpend en het IS ook wel triest”-verplichting, maar het staat sinds vandaag terug in de bib. Ik voelde het niet. In plaats van in het verhaal te worden gezogen duwden veel passages me net weg. Ik zat heel dicht bij een intense man die ik eigenlijk…niet wilde leren kennen. En laten we een koe een koe noemen, dat heb ik in mijn single days vaak genoeg gedaan, ha! Exit hedendaagse klassieker dus.

De Acht Bergen” en “Buzz Aldrin” heb ik zonder enige moeite uitgelezen, maar mijn adem stokte er niet van. Voorlopig heb ik enkel bij “Lente” van Karl Ove Knausgard al hele paragrafen willen herlezen en zorgvuldig proeven, niet toevallig omdat het over het dagelijks leven met een baby van 3 maanden gaat en ik toen dagelijks met een baby van drie maanden leefde. Misschien lees ik tegenwoordig te gefragmenteerd om echt diep in een verhaal te duiken – en werkte Knausgard omdat hij korte vignetjes schrijft. Al ben ik “Educated” van Tara Westover – die opgroeide in een  geïsoleerd en behoorlijk dysfunctioneel gezin in Idaho – nu toch in grote happen aan het opslokken.

Gelukkig zijn daar ook: kinderboeken! Voorlezen wordt steeds leuker – tot een paar maanden geleden voelde het redelijk pointless, maar nu onze dochter rustig mee naar elke pagina kijkt (en al eens iets aanwijst) in plaats van papier als een food group te beschouwen, heb ik er zelf ook meer lol in. Ik weet dat er al ettelijke sites en blogs en instagrams bestaan over kinder- en prentenboeken, maar de mooiste titels wil ik hier toch graag delen. Het is een genre waarin zoveel talent schittert, in België en ver daarbuiten. De illustraties zijn vaak onwaarschijnlijk mooi. En veel zeggen met weinig tekst, daar ben ik tegenwoordig geweldig voor te vinden.

Getagged , , , , ,

Zomaar zomer

“Dat deed mijn mama ook!”. Samen naar het zuiden van Frankrijk rijden, dat is ook herinneringen ophalen aan hoe die ritten zo’n 25 jaar geleden verliepen. Met papa’s aan het stuur (behalve voor een stuk autostrade, zodat papa even zijn ogen kon sluiten), mama’s met wegenkaarten en een thermos koffie aan de voeten en kinderen die al eens op de hoedenplank mochten pitten. Opgenaaid (oud) en wagenziek (jong) landden we uiteindelijk in onooglijke dorpjes met namen langer dan hun hoofdstraat. En kon de pret echt beginnen.

In het Franse huis waar we net een week logeerden hingen links en rechts grote kaders met tientallen familiefoto’s, kris kras over elkaar. Dat typische late jaren 80, vroege jaren 90 sfeertje spatte er van af: weelderige kapsels, te grote t-shirts, overbelichte gezichten, alles een beetje flou. Ik ken dat soort foto’s uit al die fotoalbums die mijn moeder zorgvuldig samenstelde. Zomervakanties, skivakanties, geposeerde portretten. Eén specifieke jongen kwam keer op keer terug – als tiener, twintiger, op zijn trouwdag. Een heel deel van zijn leven hing daar, achter glas.

Tijdens de vakantie sta je er niet bij stil. Je bent bezig met niet smelten, met uitrekenen wanneer de baby in principe het volgende dutje in moet, met bussen zonnecrème en de tot waanzin drijvende muggenbeten op je benen. Je typt bestemmingen in op je GPS, bent alweer je zonnebril kwijt en telt na hoeveel zwemluiers er nog over zijn. Je gaat naar de winkel, eet een ijsje, drinkt wat extra glazen water tegen de hoofdpijn en luistert hoe je schoonbroer in geuren en kleuren een anekdote vertelt, terwijl hij olijfolie op wat tomaten sprenkelt. De kindjes pendelen tussen (reis)bed en zwembad, zetten natte voetjes op de keukenvloer en tateren de dag vol. Eens ze in bed liggen, is er tijd voor wijn, kaartspelletjes, boeken. Het is te warm om goed te slapen. Elke dag vloeit voorbij, met kleine besognes en beslissingen, alsof het niets is. Tot het moment dat je weer in de auto stapt om naar huis te rijden. En beseft dat het alles is.

Je kijkt rond, kijkt iedereen aan en je weet: deze weken zijn niet eindeloos, we maken dit geen honderd keer mee. Dit worden onze verhalen, onze albums, onze “haha, kijk eens, deze foto is hilarisch”, onze herinneringen. Klaar om te koesteren.

Seizoen

Nu de crèche toe is voor de zomer, ben ik weer een hele poos Thuis Met Baby. Een beetje zoals toen ik met zwangerschapsverlof was, maar ook helemaal niet. Toen ik deze winter thuis was, regende het wel eens, om maar iets te zeggen.

Ik weet nog hoe stresserend ik het vond om met haar in de draagzak de bus op te stappen. Ik checkte om de 10 seconden of alles ok was met dat marmotje diep onder mijn winterjas en had er het raden naar wat er in haar omging. Meestal hield ze haar ogen gesloten. Nu begint ze al te stralen wanneer we in de gang staan omdat ze weet dat we op pad gaan. Een half jaar geleden vroeg ik me af wat ik haar aandeed, gewoon omdat ik even buiten wou komen. Nu kom ik buiten net om haar een plezier te doen en geniet ze van het avontuur, de zuurstof en het voorbijrollende landschap. Ik zwier zonder verpinken de buggy de roltrap op, iets dat me in januari nog hartkloppingen bezorgde. Ik ververs haar met één hand in zowat alle omstandigheden en ruimtes, hoe ongeschikt ook. Als ik iets belangrijk vergeten ben, improviseer ik een oplossing in plaats van in paniek snel naar huis te sprinten. Mijn mama-spieren zijn stilaan opgewarmd, of zo.

Onlangs zeiden vrienden die net een tweede kindje hadden gekregen dat ze, moest er een magische fast forward knop bestaan, dat eerste jaar gerust wilden skippen. Andere ouders bevestigden me sindsdien, ja, toch misschien het eerste half jaar wel. Die eerste maanden zijn magisch en intiem, maar een iets robuustere baby is toch ook een gerief. Ik ben niet meer panisch dat ze ziek wordt (ze gaat sinds mei naar de crèche, ziek is just the standard now) of ondervoed raakt. Ik ken haar. Ik weet waar ze van houdt. Ik hoor het verschil tussen huilen-om-de-honger en huilen-om-rechtop-te-willen-zitten en al die andere types. Ik kan voorspellen wanneer haar humeur gaat kantelen en ze uit vermoeidheid balorig gaat worden. Zij kent stilaan onze gewoontes. Ik kan haar geruststellen met een blik en zij mij ook.

Natuurlijk duiken er andere dingen op. Ze valt minder makkelijk en minder vaak in slaap. Ze eet nu echt eten, dat je moet klaarmaken en opwarmen en geven met een lepel en dat alle kanten uitvliegt. Ze komt overal aan en gooit graag dingen op de grond, waardoor een ideaal eetmoment  in een dambordpatroon verloopt (persoon A eet, schuift bord weg en neemt daarna de baby over zodat persoon B ook rustig kan eten). Ze speelt desgewenst heel even alleen, maar heeft meteen in de gaten wanneer ze je aandacht kan opeisen. Het is allemaal iets voortdurender. Ik weet dat ik geen 3 uur met haar op een terrasje kan zitten. Dat ik niet rustig 25 verschillende boeken kan oppakken en doorbladeren. Ik merk welke mensen goed om kunnen met de omslachtigere omstandigheden en welke minder.

Alles ziet er dus een beetje anders uit deze zomer. Sommige dingen zijn veel duidelijker, anderen zijn nog nooit zo vaag geweest. Uit sommige hoeken is het oorverdovend stil, met andere mensen voel ik me net meer en dieper verbonden. Er zijn wat deuren toe, wat plannen die stof verzamelen. Maar ook meer momenten, meer mildheid, meer kleine rijkdom. Meer seizoenen.

 

Getagged

Dag moeder

“Is ze er niet bij, ons lachebekje?”. Lang leve onze bakkerin. Een stralende vrouw met wit-blonde haren, een hippe bril en een kleindochter die een paar maanden ouder is dan Frances. Ik sta hier in mijn pyjamabroek en op mijn pantoffels. Dat is niet erg. Er zitten ocharme twee huizen tussen. Toen ik zo zwanger was dat ik mijn schoenen niet meer zelf kon aantrekken, stond ik hier ook nogal euhm, huiselijk. Dito voor de eerste weken post-partum. Ik wil maar zeggen: ze aanvaarden me hier zoals ik ben.

Ze wenst me een fijne moederdag. Ik blijf maar vergeten dat dat nu zondag is en vooral dat ik daar vanaf dit jaar ook “onder val”. Toen ik vorig jaar een bloemetje kreeg van mijn lieve nichtjes Janne en Kaat sloeg de schrik me even om het hart dat onze toen nog geheime zwangerschap op één of andere manier was uitgelekt. En toen ik deze week een cadeautje meekreeg op de crèche dacht ik dat het een soort welkomst-attentie was. De kinderverzorgster keek me een beetje meewarig aan: “Voor moederdag, he mama. Zondag pas openmaken!”. Ze zei ook dat Fran het zelf gemaakt had. Ik begin een beetje te vrezen voor wat er in dat rood papiertje zit, want het enige wat onze baby tot nu toe geproduceerd heeft… Ik zie het morgen wel. De kleindochter van de bakkerin heeft iets gemaakt met handafdrukjes – “Haar nageltjes zaten nog onder de rode verf!”. Mijn frank valt: toen we zagen dat Fran deze week een beetje goud op haar nageltjes had vroegen we ons al af hoe dat zat. Hadden ze manicure-dag gehouden voor de min 16 maanders? Duh. Knutseltijd. We hebben nog veel te leren over the Crèche Life.

Alsof ik nog niet verwend genoeg was met een gouden kunstobject kreeg ik dit weekend ook prachtige bloemen van mijn partner in kraam – voor de voorbije maanden. Het zit er op. Vanaf maandag gaat Frances echte, lange, volle dagen naar de crèche en ga ik echte, lange, volle dagen naar de Reyerslaan. Dat is geleden van 6 december. Een zee van tijd, maar wel één die ik moest navigeren met allerlei fysieke ongemakken en in het spoor van een wispelturige miniatuur-kapitein. Kaap de Goede Hoop, daar startten we elke dag. Er waren overvolle en lekker lege dagen. Voorspelbare, donkere, kant-en-klare, heldere en rumoerige dagen. En elke avond weet ik niet wie van ons twee blijer was om papa door de deur te zien komen, met kantoorverhalen, eten en een heel ander arsenaal knuffels, spelletjes en liedjes. Met die prikkelbaard waar haar vingertjes graag door woelen, die diepe stem en die perfecte slaap-arm. Ze kijkt gefascineerd toe hoe hij kookt (en stapt en eet en werkt en tv kijkt en ongeveer alles doet) en het is onduidelijk wie wie het vaakst doet lachen. Thick as thieves, deze twee. Ik heb het altijd wat pijnlijk gevonden als mannen zeiden dat “kinderen eigenlijk pas leuk worden vanaf twee jaar, als ze zo wat kunnen praten”. Voor mijn part mocht zwangerschapsverlof gerust gelijkmatiger verdeeld worden tussen Haar en Hem – met uitzondering van het borstenverhaal kunnen vaders alles doen wat nodig is, met net zo veel liefde en tederheid.

Vanaf maandag moeten we allebei wachten tot de vroege avond om haar uitgebreid te knuffelen en onze vragen op haar af te vuren. Na moederdag volgt “dag, moeder”. De glasheldere taak waar ik de voorbije maanden mijn dagen mee vulde komt nu in iemand anders z’n bakje. Ik was niet altijd even overtuigd van wat ik deed – en dat is een understatement – maar het was wel lekker duidelijk allemaal. Zij moest het warm genoeg hebben, veilig zijn, comfortabel, gevoed, proper, gelukkig. Gewoon dat. Al de rest kon wachten.

In december reden we stilletjes en bijzonder langzaam van het ziekenhuis naar huis toe, vol vragen. Als we nu op pad zijn – al iets zekerder van ons stuk – horen we vrolijk gefrazel van op de achterbank. Ons heerlijk meisje, dat elke dag nieuwe dingen kan en guitiger begint te kijken. “Ca pousse”, zoals ze hier zeggen. Wat hebben wij onvatbaar veel geluk dat ze erbij is.

 

Getagged

Klein spook

Dat ik als kind al veel verbeelding had, moet je mijn ouders niet vertellen. Ze liepen beschaamd een paar meter achter me terwijl ik een onzichtbaar hondje aan een al even ingebeelde leiband uitliet – een hondje dat wel eens kon treuzelen, of net veel te snel liep en dat ik voorzichtig opzij trok als er tegenliggers waren. Gelukkig bleef het bij die ene vijs en kwam het voor de rest wel in orde. (Soms waren het ook meerdere honden, van verschillende rassen, grote én kleintjes. Dat waren zelfs voor een volleerde dogwalker als ik een beetje stresserende wandelingen, want die beestjes liepen natuurlijk niet allemaal braaf naast elkaar. JA ZEG.)

Zelf een kindje krijgen heeft mijn verbeelding weer in een hogere versnelling getrapt. Ik denk dat ik haar hoor wenen, terwijl ze rustig ligt te slapen. Ik moet een paar keer opnieuw aan een stuk stof (mijn kleren, haar kleren, tetradoeken,…) voelen om te bepalen of het nu echt nat is of gewoon een beetje klam of een kwestie van fantoom-nattigheid. Maar de minst leuke waanideeën zijn die rond haar gezondheid. Zodra er iets aan de horizon opduikt, verandert mijn brein in een goedkope clickbait-site. “Deze ouders negeerden één banaal symptoom. ZE ZOUDEN HET ZICH HUN HELE LEVEN BEKLAGEN.” “De onzichtbare (maar dodelijke!) gevaren in je eigen huiskamer”. “Vijfentachtig zaken waar je kind allergisch aan kan zijn. Ken jij ze allemaal?” “Deze vrouw lette één moment niet op. Je raadt nooit wat er toen gebeurde.” Een beetje oogprut, een beetje uitslag, een beetje roodheid: ik heb weinig nodig om op hol te slagen. Ze zal toch wel ok zijn? Voelt ze nu warm aan? Ze zal toch vannacht niet ineens achteruit gaan en dat wij dan slapen en het niet merken? Moeten we misschien toch niet… Dan blijft het spoken in mijn hoofd tot ze de volgende keer gulzig eet of vrolijk brabbelt.

Het weegt, de verantwoordelijkheid voor zo’n hulpeloos marmotje. En dan te denken dat er nog 101 kinderziektes en 13 ongelukken op ons af komen (meer als ze veel van haar vader heeft). Als mijn mama vroeger zei dat ze wou dat ze ziek kon zijn in mijn plaats, vond ik dat als 8-jarige totaal onbegrijpelijk. En ongeloofwaardig. Het zal wel, moeder. Het zal zeker.

 

 

 

 

Getagged

Ridders & rohypnol

Er was eens een kindje dat zo goed geslapen had dat haar mama haar in een berenpak stak en haar trakteerde op een uitstap naar centrum Brussel. Ze gingen langs boekenwinkel Passa Porta, een hoop klerenwinkels, Super Green Me en de hele tijd scheen het zonnetje en lachte het leven hen toe. Niet alleen het leven, maar vooral ook de Brusselse ridders. 

We kwamen ze tegen vandaag, ja, in grote getale. In metrostation Simonis was het een opgeschoten tienerjongen met magere benen die ons ter hulp kwam: hij zou de koets wel even mee de trappen afdragen. Ik verdenk hem ervan dat hij het vooral deed om indruk te maken op zijn vriendinnetje – een meisje met zorgvuldig gekrulde lokken die mijn ongedouchte zelve geen blik gunde. Na een lange gang kwam trap 2 en ook daar greep een man – solo deze keer – zonder veel poespas het voorste wiel. Eenmaal op de metro vroeg een andere man spontaan of ik wou zitten en bij de kinderwinkel L’asticot dook knight in shining armor nummer 4 op: de man met de korte paardenstaart mompelde nog iets over dat het wel vreemd was dat een kinderwinkel niet voorzien was op koetsen, hielp ons de trappen op en wenste me nog een bonne journée.

Op zoek naar een plek om te lunchen waar ik eventueel ook borstvoeding zou kunnen geven belandde ik in Chicago, een soort kindercafé. Ik kreeg het laatste vrije tafeltje, maar kon me amper concentreren op de menukaart. Dat het er druk zou zijn op een vakantiedag had ik wel verwacht maar het aantal decibels zat net één peuter-meltdown boven wat ik mentaal aan kon. Ik zag de twee vrouwen naast me ook een beetje bedenkelijk kijken (“Wij hébben niet eens kinderen bij, wat DOEN we hier?”), wierp een blik op mijn onverstoorbaar ronkend Beertje Rohypnol en besloot dat ik even goed door kon zetten tot thuis waar we allebei in alle rust zouden kunnen eten. En toen was daar ridder nummer 5: een lieve Chicago-vrouw met rood haar die volgens mij een beetje aan het aftellen was tot sluitingstijd. Ik hoefde niet eens iets te zeggen. “Druk he? Ik weet het. Het is echt superdruk. Sorry hoor. Nee, ik begrijp het, ik houd even de deur voor jullie open”. Ze deed niet zakelijk, niet emotioneel, niet fake bezorgd, maar heel gewoon: ze keek me in de ogen en ze begreep het. Dat dit het even niet was. Dat ik na die eerste 6 weken nog een beginner ben. Nog niet één van die onverstoorbare ouders die eender waar eender wanneer neerploffen en doen wat moet gebeuren. Ik moet Brussel een beetje opnieuw leren kennen, nieuwe routes uitstippelen, met veel liften, vlakke stoepen en brede passages. En als ik verkeerd loop, moet ik af en toe mijn kar keren. Of mijn koets.

We wandelden rustig naar IJzer waar een iets oudere man die op straat een beetje stond te keuvelen met grote passen naar ons toe kwam. “Je vous aide!”. Toen ik hem onderaan de eerste trap wou bedanken, beende hij weer voor ons uit: “Er is nog een trap! Kom maar, ik help u daar nog af.” Eenmaal op het perron gaf ik hem mijn breedste glimlach, een grand merci en een voorzichtig kneepje op zijn arm. Maar dat kon hij natuurlijk niet voelen, in zijn blinkende harnas.

Getagged ,

Dokter, dokter

How not to.

1. Vertrek te laat naar de dokter zodat je je onderweg goed kan opjagen.

2. Vergeet je boekje van Kind en Gezin, zodat je één straat terug moet, de koets weer naar binnen moet sjouwen en nog snel de trap moet oprennen.

3. Loop onderweg nog eens verkeerd, denk “Ik zal wel ongeveer op dezelfde plek uitkomen” en beland in een (mooi!) doodlopend straatje, waardoor je uiteindelijk toch op je stappen moet terugkeren en nog een pak meer tijd verliest.

4. Heb het veel te warm. Zweet. Vraag je constant af of de baby wel ok is, onder die laagjes. Vraag je af of de dokter straks je zweet zou ruiken.

5. Vraag je baby om het op een erbarmelijk krijsen te zetten zodra je bij de dokter bent. Maak het nog raarder door je kind niet meteen te kunnen troosten en haar zo ongemakkelijk bij je te pakken dat de dokter zich waarschijnlijk afvraagt of jij wel de echte moeder bent of iemand die voor het eerst in haar leven een baby van dichtbij ziet.

6. Val helemaal door de mand wanneer de dokter vraagt of je een propere luier bij je hebt (ja!) en ook doekjes (… nee. De luiertas zou morgen toekomen, dan ga ik alles netjes bij me hebben. Dit is écht mijn baby waar ik al een maand voor zorg, echte waarheid.)

7. Hoor de dokter zeggen dat alles qua hart, longen, gewicht en groei perfect is maar spits vooral je oren wanneer ze praat over dingen die beter zouden kunnen, zoals haar luieruitslag en buikkrampen. Laat de tranen in je ogen springen bij het idee dat je je kind niet perfect aan het verzorgen bent en ze dus de hele dag lang geweldig afziet door jouw egoïstische schuld.

8. Doe je uiterste best om je tranen te verbergen en trek daarbij zo’n onnatuurlijk gezicht dat de dokter zich nu niet alleen afvraagt of je een kidnapper bent, maar daarnaast of jij misschien ook last hebt van pijnlijke krampjes.

9. Haast je naar huis om nog op tijd langs de apotheek te kunnen. Geef de baby meteen eten. Strek je pijnlijke rug en benen en besef dat je sowieso al twijfelachtige conditie nu echt zo goed als weg is.

10. Gooi je gloednieuwe anti-kramp-druppeltjes per ongeluk mee weg met een lege doos koekjes en vis ze de dag erna, na lang vruchteloos zoeken en de gouden tip van je echtgenoot, uit de vuilbak.

Voila. Meer is het eigenlijk niet.

Getagged
Advertenties