Categorie archief: blog

Hokjesdenken

Het is me een raadsel waarom klerenwinkels niet volop inzetten op het ontwerp van hun pashokjes. Wie wint er bij als het hokje klein is, het licht des duivels, de haakjes en het zitbankje onhandig? Zorg toch dat elke passer er ravissant uitziet! Kermisspiegels die je lichaam helemaal transformeren hoeft nu ook niet, maar gewoon: mooi uitgelicht, genoeg plaats, neutrale kleuren. Ik heb de voorbije jaren al zo vaak in complete horror naar mijn spiegelbeeld staan staren omdat ik er vreselijk uitzag, met elke oneffenheid op mijn huid uitgelicht alsof er een mottig Brits roddelblaadje mee gemoeid was met de kop “CELEBS’ CELLULITE SHAME SHOCKER”. Weg sfeer, weg centen.

 

body2

 

Toen ik deze week ging winkelen had ik een heel fijne hokjeservaring bij Costes. Zij doen het alvast goed. Net als mijn eigen lichaam, trouwens. Tot nu toe kom ik vooral gewicht bij waar het moet, is mijn navel nog even naar binnen gekeerd als ik en houden mijn rug en gewrichten het allemaal goed vol. Voorover bukken wordt steeds minder prettig, hoge hakken doen het niet meer zo en bij sommige bewegingen krijg ik duidelijke alarmsignalen van mijn zenuwbanen, maar al bij al: een tevreden klant. Voor één van de weinige keren in mijn leven kon ik oprecht glimlachen naar halfnaakte hokjes-Sofie. Oh ironie, net op het moment dat ik meer weeg dan vroeger met mijn woelende compagnon. Over een half jaar is het ongetwijfeld een ander verhaal maar in deze fase zien we er goed uit, samen. Aangezien winkelen met buitenlichaamse kinderen supermoeilijk is – ze wenen, zagen, doen in hun broek, lopen weg of blijven zitten en breken de boel af – profiteer ik maar even van deze kangoeroe-situatie. Ik ben al mijn hele leven een aaier – zachte stofjes, zachte haartjes, bontjassen, irresistible – en nu heb ik de allerbeste globe om zo wat over te strelen en naar te staren (eigenlijk 3, maar dat zou een beetje raar worden in het openbaar. En lang duren in dat hokje).

Advertenties

Oktober

d0480a20b43e3e9803b79323be59abe5

Omdat “oktober wijnmaand!” op dit moment pijnlijk weinig voor mij kan betekenen, heb ik een ander voorstel. Laten we oktober eens uitroepen tot pauzemaand. Niet stoppen, voornamelijk playen, maar af en toe pauze en zeker geen fast forward. In de eerste plaats voor Simon – die zich daar toch niks van aantrekt omdat hij alleen in de zetel blijft zitten als hij zich létterlijk kreupel heeft gelopen – die zich de voorbije maanden heel zwaar heeft belast. In plaats van na het werk aan zijn tweede leven te beginnen als schilder, elektricien of atleet hoop ik dat hij rust, uitgaat en nikst.

Pauzemaand, dus. Ik voeg de daad bij het woord door meteen een goed voornemen af te blazen. Want uiteraard zou ik toneel spelen dit jaar. Komaan. Eén avond per week repeteren, dat is echt geen big deal. Zeker als ik maandenlang thuis ben. En tegen mei, eens we echt gaan optreden, ben ik fysiek en mentaal helemaal de oude! Play play play! En toch hoorde ik het mezelf zeggen op de Eerste Grote Vergadering: “Misschien doe ik dit jaar beter wat ondersteunende dingen: promo, productie…?”. Mijn hart bloedde, mijn imaginaire maar daarom niet minder glamoureuze Hollywoodcarrière kreeg een zoveelste deuk en tegelijkertijd voelde ik mijn schouders ontspannen. Ik hoef geen twee of drie nachten op toneelweekend als de baby nog klein is. De maandagen waarop het me moeilijk gaat, hoef ik niet ’s avonds naar Leuven te bollen en weer terug – zonder schuldgevoel. Eventueel een kleine rol, als het stuk er om vraagt, we zien wel. Ik draag bij wat ik kan, wanneer ik kan.

Ook qua baby-prep moet ik mezelf intomen. Ik heb te laat zitten googelen en daardoor een nacht slecht geslapen, piekerend over welke spullen we nodig hebben, welke we op de geboortelijst kunnen zetten en welke we beter zelf kopen, welke nieuw, welke tweedehands, welke lenen, welke stelen want fucking hell dat kost toch wel wat allemaal en hoe moet je nu zo’n donsdeken combineren met een slaapzak, een laken, een inbakerdoek en een babynestje? Pointless, natuurlijk. HET IS NOG KEI LANG. En we krijgen heel wat spullen – er liggen nu al een hoop kleertjes klaar, met dank aan familie & vrienden, en er komt nog van alles bij. Begin november is nog prima op tijd om die lijst af te werken. En mijn schoonzus legt mij alles met eindeloos veel geduld uit, want zij weet wél waar een babynestje voor dient. Djeez. Slaap toch nu je nog kan, eindeloze dommerik.

Ik ben alvast begonnen met al mijn internetdata in september op te gebruiken, zodat ik nog een hele week analoog moet doorbrengen. De tijd gaat vanzelf trager. Mee daardoor speel ik met het idee om eindelijk eens aan die “30×30 Nature Challenge” te beginnen – een uitdaging om 30 dagen op rij minstens 30 minuten in de natuur door te brengen. Kwestie van een goede gewoonte te kweken die je daarna zo goed mogelijk volhoudt. Om het allemaal wat haalbaar te houden wil ik de challenge graag ombuigen tot 30×30 tussen nu en D-Day. Nog een slordige 100 dagen is dat. Na de geboorte zal ik hopelijk met dagelijkse wandelingetjes mijn bos-, blad- en grasuren makkelijk halen. Tot die tijd:

pregnant pause (plural pregnant pauses)

  1. A pause that gives the impression that it will be followed by something significant.

 

Shanti special

Dat ik ondanks alles nog steeds een grote dosis naïviteit in mij heb, werd vanavond alweer duidelijk. Ik dacht echt dat prenatale yoga massaal veel leuker zou zijn dan de gewone yoga waar ik mij de voorbije jaren af en toe aan heb gewaagd. Iets met gezellige massages, lekkere muziek en vooral veel stretches. Een soort chill theekransje in lycra waarin we elkaar allemaal zouden steunen en bewieroken, aanstaande moeders onder elkaar.

Turns out: het is gewoon yoga. Met matjes, blote voeten, adem-instructies, een grote spiegelwand (LOVE those, immer flatterend) en met die godgeklaagde zonnegroet die ik nog nooit helemaal onder (achter? naast?) mijn stijve knie heb gekregen. Het enige verschil? Elke yogadocent heeft wel zo’n zinnetje om te zeggen “de losers die niet kunnen volgen, mogen hun arm ook gewoon laten hangen” en dit is de eerste keer dat ik de vrouw volledig geloofde. Ze leek oprecht en zonder stiekem superioriteitsgevoel bezorgd om ons fysiek welzijn. Met succes. We deden allemaal flink mee: ook de vrouwen die echt al een gigantische buik hadden gingen fluks op hun schouders staan met hun voeten recht in de lucht.

Zoals in ongeveer elke cursus die ik al heb gevolgd (en dat zijn er véél. Ik blijf koppig geloven dat ik mezelf kan heruitvinden in 6 lessen, om keer op keer gedesillusioneerd af te haken) had ik ook hier binnen de eerste 10 minuten al doemgedachten.

Waarom ben ik hier? Ga ik dit echt volhouden? Zou ik straks al de volle pot moeten betalen of telt dit nog als proefles? Eigenlijk is het wel goed dat ik dit doe, voor mijn lichaam. Maar anderzijds moet ik toch niks tegen mijn zin doen? Dat is sowieso slecht voor de baby. Ik ben toch volwassen, zeker. Ik kan na het werk ook gewoon naar huis gaan, waar mijn stoere, onuitputtelijke man ons nieuwe huis kamer per kamer aan het verfraaien is. Maar ik doe al niks van sport, dus misschien moet ik het toch maar doen. En een quitter wil ik ook niet zijn, wat voor voorbeeld stel ik dan. Ow, ben ik nu weer aan het exhalen terwijl we eigenlijk moeten inhalen? En zei ze net dat we de “the skin of your buttocks” moesten ontspannen? Hoe precies? Bleh, ik ga yoga echt nooit superleuk vinden. Het stretchen en het liggen wel, maar al die andere dingen… Wow, die andere vrouw is veel ronder dan ik, maar ook veel leniger – hoe doet die dat? Ik heb nu al moeite om mijn veters te binden en ik heb nog maar een penske van niks. Zouden die ook niet allemaal veel protten moeten laten? Ik ga gewoon langs een kinesist, dat zal ook wel goed zijn. En misschien zelfs efficiënter. Uiteindelijk moeten we toch ook een beetje zuinig zijn, met al die kosten aan het huis. Ik moet trouwens nog iets vragen aan Simon over die offerte. Ah, toch iemand die één oefening aan zich laat voorbijgaan. Altijd leuk als niet iedereen flinker-dan-flink staat te wezen. Mijn borsten zijn echt serieus gegroeid. Mijn heupen misschien ook, of lijkt dat gewoon zo omdat ik een oude joggingbroek aan heb? Oei, kwam ik nu te dicht bij die naast mij? Die had anders ook haar kussen aan de andere kant van haar matje kunnen leggen, daar is nog keiveel plaats.   

Alsof ze mijn innnerlijk gebrom tot vooraan kon horen, kondigde de docente naar het einde van de les toe aan dat we even tijd gingen maken voor positive thoughts. Die bestonden er vooral uit om onze buik aan te raken en tapas (ik verzin dit niet: http://yogashanti.com/focus/tapas-riding-the-heat/#.Wa8JDIpLe1s) naar onze baby te sturen.

Ik mocht gewoon 10 euro betalen voor de proefles en later beslissen of ik nog eens kom. Wat tapas precies is/zijn is me nog niet volledig duidelijk. Ik nam de metro naar huis en ging snel frietjes halen om de hoek voor mijn noeste arbeider. Shanti special, moet kunnen.

Getagged ,

Safari

Op de site waar we ons hebben geregistreerd voor kinderopvang staat ze genoteerd als “Kind 1: Voornaam ongekend Steverlinck”. Prachtig toch. Elke week leiden er steeds meer paper trails naar Voornaam ongekend. Een agenda vol afspraken bij de gynaecoloog, de vroedvrouw, de prenatale yoga-vrouw (die mij nu al zenuwachtig maakt met haar veel te gebalanceerde emails) en de kinesist. Formulieren op het werk. Formulieren bij de mutualiteit. Een lijst met babyspullen die we van onze door de wol geverfde broers en zussen krijgen/lenen. Een gedeeld Google Drive-document met to do’s. Een kaartje om in 1e klasse te mogen treinen (nog heel even geduld). Een aftel-scheurkalender die steeds korter wordt.

Daarnaast kunnen we het ook steeds meer voelen. Ik hang elke week kleren weg waarvan ik weet dat ik ze het komende half jaar niet eens moet aankijken. De weegschaal geeft bijna vier kilo meer aan (waarvan een hoop extra bloed, een slordige 500 gr baby en minstens zo veel extra borst). De ergste misselijkheid lijkt verleden tijd. En Simon kan de razendsnelle fist bumps die ik al een paar weken voel nu ook zien, met het blote oog. In plaats van naar onze e-reader of iPad staren we ’s avonds naar het stuk huid rond mijn navel, op ‘s werelds meest statische safari (“Dat was één! Was dat één? Heb je het gezien? Heb ik het gemist? Wow, dat was een serieuze.”).

Vorige week hadden we het gore lef om op een muziekfestival een tafeltje in te palmen backstage en het daar luidop te hebben over verbouwingen én de baby. Als er nog jonge twintigers rondlopen in het Warandepark met bloedende oren en betraande wangen, sorry, onze schuld. Het kan verkeren. De baby voelen bewegen is opgeschoven van “te walgelijk om over na te denken, tenzij in een ambulance op weg naar het Tropisch Instituut” naar “Doe nog eens, mokkelino. Toe?”.

Hoe het precies zal zijn, blijft voorlopig even vaag als de echografiefoto’s zonder uitleg van de dokter. Mét uitleg konden we wel zien dat ze er voorlopig cool as a cucumber bijligt. Handjes achter het hoofd, ellebogen in de lucht, benen bijzonder lenig opgevouwen. “Een wiebelaar”, zei dokter Paul, “maar ze stopt zich niet weg”. Als alles goed blijft lopen, zal ons huis moeten wennen aan een pak extra lawaai, energie, getater, knuffeldieren, vuile was en een eindeloze stroom plakpollekes. Over een exotische reis gesproken.

Hoe van Brussel te houden

Er zijn van die dingen waar jij op mag spuwen, maar anderen niet. Dingen waarop je kankert tot het schuim je op de lippen staat, maar waarvan je moeilijk kan verdragen dat andere mensen er laatdunkend over doen. Leuven, waar ik opgroeide, is zoiets. Dirty Dancing is zoiets (behalve dat ik nooit zou spuwen noch kankeren op Dirty Dancing). En Brussel. Zeker Brussel. Mijn pleidooi voor een hellhole met weinig vrienden.

Stap 1: Niet.

U bent hiermee waarschijnlijk in de meerderheid.

U haalt de vuile straten aan, het kamikaze-verkeer, de verloederde buurten, het “Is-dit-nog-wel-België-gevoel” (looking at you, Sally van Blind Getrouwd), de ingeslagen ruiten, de urinegeur in de trein- en metrostations, het dubbelparkeren, de dealers, het gebrekkige Nederlands (maar wel massa’s Arabisch), de onzinnige politieke spelletjes, de rottende tunnels en ga zo maar door. En op veel punten heeft u ronduit gelijk. Ik droom zelf ook van een hutje aan de zee.

Stap 2: Geef het tijd.

Ik wist niet zeker of ik naar hier wou komen. Collega’s die hier woonden vertelden zonder verpinken gruwelijke anekdotes over hoe ze overvallen, beroofd en gevierendeeld waren maar zeiden in dezelfde adem “topstad, gewoon doen”. Heel verwarrend. Een beetje zoals jonge ouders je vertellen dat ze niet meer weten wat seks is, geen tijd hebben om met hun ogen te knipperen en twijfelen aan elke levenskeuze die ze ooit maakten maar afsluiten met “baby’s zijn 24 karaats goud met hersenkwabben van pure engel, gewoon doen”. Niet te snappen tot je het zelf probeert, vermoed ik.

Toen ik hier de eerste keer naartoe kwam, sprintte ik snel weer weg. Een beetje geclaxonneer en ik verschrompelde als een slak. (Anno 2017 zou ik zonder verpinken “gore fuckhond” roepen of komt die claxon gewoon van mij, omdat die onnozelaar daar niet moet oversteken).

Toen ik hier de tweede keer naartoe kwam en wel bleef, vertelde iemand mij “Er zijn twee scenario’s. Ofwel loop je na één jaar gillend weg en kijk je nooit meer om. Ofwel word je verliefd en hang je er voor tien jaar aan.” Puur op koppigheid hield ik na dat eerste jaar vol. Ik woonde niet meer samen met de jongen die mijn hand vasthield bij de verhuis naar Brussel. Over mijn lijk dat ik zonder zijn handje meteen weer zou afdruipen. Ik had verdorie in Toronto gewoond, wat zou het Brussels Gewest mij dan plots te veel worden?

Blijkt dat verhuizen binnen je eigen land best pittig kan zijn. Ik ging in Leuven naar de kapper, de tandarts en de oogarts. Ik ging er nog vaker naar mijn toenmalig lief. Ik miste zo weinig mogelijk, al voelde ik ook dat zo’n spreidstand niet te lang mag duren.

Met de jaren liet ik steeds meer de railing los en schuifelde ik stilaan naar het midden van de ijspiste. Een Brusselse kapper. Mijn 29ste verjaardag vieren in Brussel. Een ander lief, met een Brussels adres.

Ik keek verder dan het centrum en ontdekte, ik zeg maar iets, de hippodroom in Bosvoorde. Toen ik filmpjes maakte voor de Koningin Elisabethwedstrijd zoefde ik met de cameraploeg door de decadent dure wijken van Posh Bruxelles. Ik ging naar de film en belandde toevallig in de Grand Eldorado. Ik begon met Bruxelles A Font – een Instagramprojectje waarin ik letters, woorden en logo’s fotografeerde op straat. Ik nam een stratenplan en duidde met een roze fluostift alle straten aan waar ik ooit al had gewandeld, om mijn eigen blinde vlekken te kunnen localiseren. (Nee, het is nog niet vol, maar wel steeds rozer).

Stap 3: Wees eerlijk.

Er zijn massa’s mensen die niet houden van steden. En dat is helemaal ok. Er zijn naar het schijnt zelfs mensen die niet van Parijs houden. Maar Brussel afrekenen op shit die typisch is voor steden en net zo goed in Antwerpen gebeurt, vind ik niet kosjer.

Het is makkelijk om de hellhole-mythologie waarheid te laten worden – des te meer als je hier weinig tijd doorbrengt. Ik was in het begin een poster child van de Bange Buitenstaander Beweging. Ik hield mijn huissleutels klaar in mijn hand, ik durfde mijn iPod (ha! Ver Verleden) niet gebruiken. Ik zag zoveel mensen die er anders uitzagen dan ik (of zo weinig die er hetzelfde uitzagen), die luidkeels op straat dingen stonden te zeggen die ik niet verstond, en ook dat vond ik bedreigend. En opnieuw, dat mag. Ik laat die gevoelens bij mezelf gewoon toe, als ze er zijn. Ik heb niet zo lang geleden “ik haat Molenbeek” gesmst naar mijn lief, en al klinkt het nu knullig, ik meende het toen uit de grond van mijn hart (al weet ik niet meer concreet wat er aan de hand was). Ik stapte vorig jaar na de aanslagen met heel dubbele gevoelens de metro op en ik betrapte mezelf op tranen van woede, gericht op al die vreemde mensen om mij heen. Niets mis mee.

Maar niets houdt je tegen om af en toe bij jezelf af te checken wat je projecteert en wat er écht aan de hand is. Wat de ene percipieert als een louche en levensgevaarlijke straathoek/medepassagier/situatie, daar haalt een ander fluitend zijn schouders voor op. Je bepaalt voor een groot stuk je eigen comfort zone. (En als je écht gelooft dat al het Kwaad van de Wereld zich verzamelt op een paar vierkante kilometer rond de Zenne, dan heb ik slecht nieuws).

Stap 4: Luister, praat, kijk.

Op de metro naar huis zat ik net naast een Italiaanse vrouw. Ze was aan het telefoneren en zei heel gemeend “Che bruto!”. Ging zeker over een fout vriendje. Zoiets vind ik leuk. De metro, zeker onder de Europese wijk, is altijd een beetje Babylon. (Een “Humans of Brussels”-fotoreeks zou er trouwens ogen te kort komen). Wat de kindjes van het Toekomstatelier allemaal vragen en zeggen, vind ik leuk. Dat er, toen ik laatst viel met de fiets omdat iemand zonder te kijken overstak en ik te bruusk moest remmen, twee zwarte meisjes vroegen of alles ok was, dat vind ik leuk. Dat mensen me vaak de weg vragen en dat ik hen meestal kan helpen, leuk. Dat de man die bedelt voor het wisselkantoor op de Gentsesteenweg en ik elke dag hallo tegen elkaar zeggen (en iets meer als we elkaar even niet gezien hebben), leuk. Het zero fucks-gehalte van Brussel is bijwijlen wraakroepend, maar het maakt tegelijkertijd dat mensen hier van weinig opkijken. De drempels zijn eigenlijk ontzettend laag.

Iedereen heeft bitchy resting face, ik in de eerste plaats. Niemand is Moeder Theresa, ik in de laatste plaats. Ik negeer heel veel mensen. Maar met je vizier op een kiertje ziet het landschap er al helemaal anders uit. We wonen in ons appartementsgebouw in Molenbeek onder één dak met Grieken, Turken, Congolezen, Marokkanen en van die Belgen – en we hebben met bijna iedereen een babbeltje (al vind ik die ene vrouw die alles over ons lijkt te weten en het zelfs merkt wanneer Simon een paar kilo is afgevallen wel stilaan een beetje akelig). Het is een petri-schaaltje. Soms gaat het stinken en schimmelen, maar soms is het ook geniaal. Of wist u niet dat dit allemaal één groot experiment was?

Stap 5: Relativeer.

Het is hier Caracas niet. Ik ben één keer op mijn plaats gezet, toen ik aan het zagen was over het Brusselse verkeer, door iemand die net terugkwam van China. Dat kon ik niet zo waarderen (Mag ik mijn eigen levenspijn nog kiezen DANKUWEL), maar ze had natuurlijk een punt. In the larger scheme of things is Brussel, naast honderden mastodont-steden, een piepkuiken. Een piepkuiken met een rokershoestje en een scherpe R, maar desalniettemin een babydier – en daar doen we lief tegen.

Stap 6: Gewoon.

Er wonen hier ongetwijfeld mensen die koekjes kakken, om even wat beeldspraak van mijn eindredacteur te lenen. En, aan het andere eind van het spectrum, is er sowieso ook een zeker quotiënt gore fuckhonden. Brussel is geen verre planeet. Het is gewoon een plek, met gebouwen en mensen, die meestal hun best doen, niet te vaak alleen willen zijn en wat geld willen verdienen. Een mindfuck van een mengelmoes, met mooie gevels. Bruut en oneindig zacht.

Getagged

Nooit meer dromen

“Ik droom eigenlijk nooit,” zegt hij. “Dan moet jij wel heel zen in het leven staan, als je ’s nachts niets te verwerken hebt.” In mijn hoofd zie ik een oertriest dromen-coördinatie-lokaal, waarin één dof mannetje werkt met een knoert van een bore-out. Elke avond zet hij zich met een zucht achter zijn bureau, duwt hij zijn bril wat hoger op zijn bleke neus en legt zijn magere hand op een lege A4. Alweer niks. Traag neemt hij de rode stempel, drukt die zorgvuldig en gelijkmatig neer en zet bedachtzaam een krabbel met een glanzende, zilveren pen. Het lege blad komt in het uit-bakje, hij trekt zijn grijze regenjas aan en doet de deur stilletjes toe. De rest van zijn uren doodt hij dan maar in het stationsbuffet.

A man standing in an empty office

Bij mij krijgt de dromencoördinator – afgekloven nagels, rood aangelopen wangen, een wijde blouse waar ze om de 9 seconden aan pulkt – het amper gebolwerkt. Elke shift opnieuw stoot ze op een uitpuilende inbox, een verse stapel dossiers vol post-its en uitroeptekens en een genadeloos tikkende klok. Ze vloekt aan één stuk door omdat ze alweer een fucking nachtmerrie over “het is de avond van onze première en ik ben al mijn tekst vergeten” moet combineren met “vastzitten op een hoog platform dat steeds kleiner wordt”, terwijl er nog drie onzinnige dialogen liggen te wachten, een woeste kus, een fictief huisdier dat plots zoek is en, want dat kan er ook nog wel bij, een verse guts schuldgevoel, voor half zes. En dat is alleen de originele planning, he, dus daar komt sowieso nog iets tussen – je zal het godverdomme elke keer zien. Wanneer er een telefoontje binnenkomt met de vraag of die ene futiliteit die 11 jaar geleden fout liep niet nog eens aan bod kan komen, smijt ze de hoorn neer. Het bruistabletje plopt het glas koud water in. Het wordt een lange nacht.

 

 

Getagged , ,

Krokodil

15139347_10104699818762602_1791816844_n

Ik sta in een zee van wit zand, omringd door trappelende voetjes en ouders die doen alsof ze niet merken dat hun gebroed lichtgewond op de grond ligt te snikken. Mijn nichtje van drie en ik staan midden in de speeltuin. Ze kiest een lange houten krokodil uit, op twee rode veren, en we kruipen er op – tandemgewijs. Als ik even wiebel en het dier zich roert, roept ze meteen dat ik moet stoppen. “Dat ben ik niet! Het is de krokodil.” Ze is er nog mee weg ook. Of ze speelt het spelletje gewoon mee, wie zal het zeggen. Ze stapt af, marcheert naar voor en wendt zich tot het oermonster. “Wat is me dat nu, zeg”. Als een volleerde schooljuf. Hij is tot de orde geroepen, we kunnen verdergaan met zitten.

Vandaag is een inhaaldag. We zien elkaar niet vaak genoeg, zij en ik. Dat besef ik nog maar eens wanneer ze me op een stil moment oprecht vraagt: “Maar tante Fie… waarom ben jij hier nog al-tijd?”. Ik zeg niets en wiebel zachtjes nog eens met mijn poep.

Quizas

Vorige week lachten mijn collega Gianni en ik er nog samen om: die vreselijke muzikanten op de metro, die ’s ochtends vroeg met een slechte box op wieltjes en een schelle microfoon “Volare” in je oor toeteren, “My Way” of de ultimate favorite “Quizás Quizás Quizás”. Ik heb in die fase van mijn dag echt nul behoefte aan lawaai, maar ergens heeft het ook een soort rottige charme, zoals heel Brussel.

Gisterenavond op café kwam het gesprek plots weer op de aanslagen van 22 maart – hoe we het nieuws hoorden, waar we de dag en de avond doorbrachten, hoe we ons de weken nadien voelden en organiseerden. Ook de metro nemen was die eerste keren natuurlijk anders, beklemmend. Alle stellen reden trager. Extra seconden om door het raam te kijken, maar buiten was niets te zien. De eerste weken stonden in Maalbeek enkel houten panelen, daarna het spierwitte station als vanouds. Binnen leek iedereen stiller, voorzichtiger. Elke rugzak werd gemonsterd. En nergens muzikanten te bespeuren.

14993494_10104668791481522_6241982421536893779_n

Dat mijn zenuwen meer gespannen stonden dan ik zelf door had, werd duidelijk toen één man out of the blue en a capella begon te zingen, het hele metrostel door. In een taal die ik niet herkende of kon plaatsen en op de toon van een gebed, of een soort chant. Misschien was het een oproep voor wereldvrede en harmonie. Misschien deed hij het om zichzelf te kalmeren en wou hij er ons ook een plezier mee doen. Misschien is die man wel stiekem de tofste peer ter wereld. Maar die eerste tien seconden werd ik er vooral heel erg kwaad van. Niet nu. Niet hier. Wat zeg jij, wat wil jij, is er gevaar? Hij zong, en dat was het. Er gebeurde niks. Ik heb ‘m sindsdien nog gezien en gehoord. Nu zit hij gewoon in mijn vakje ochtend-irritatie en niet in mijn vakje angst. Wat vreemd dat ik een zingende man op een bepaald moment heb ervaren als iets agressiefs.

Vandaag zag ik in het station van Maalbeek lelijke bruine graffiti. Stom, maar misschien ook het ultieme bewijs van back-to-normal. Ik werd extra verwend met een slechte box en een trompettist. Zo mag het blijven.

Getagged , , , ,

Vriendelijk

“Je hebt lang niet zoveel vrienden als je denkt”. Met variaties op die dramatische titel landden een paar maanden geleden een hoop artikels online. Uit een onderzoek is gebleken dat niet iedereen die jij ziet als een goede tot zeer goede vriend jou ook zo bekijkt. Patat. En dat terwijl elk geluksboek ons op het hart drukt dat een stevig sociaal netwerk dé sleutel is tot een lang en gelukkig leven. Great. No pressure. Laat vriendschap nu net iets zijn dat je op geen enkele manier kan fabriceren of opkloppen.

51jwxlk8knl-_sx325_bo1204203200_We willen het allemaal zo goed doen en in alles uitblinken – maar de realiteit blijft ons in ons gezicht blazen. De alom bejubelde Dirk De Wachter heeft de laatste jaren een hoop sociale wurgslangen bezweerd. De meeste relaties zijn een beetje wankel, je werk is maar je werk, niet elke dag is een feest, so be it. Als moeder mag je tegenwoordig toegeven dat die roze wolk serieus kan tegenvallen. Mag je intussen ook benoemen dat je soms wat worstelt met die berg topvrienden waar iedereen op lijkt rond te tortelen, Sound of Music style? Dat het soms vanzelf gaat en je je pollekes kust, maar dat er ook andere dagen zijn? Dagen waarop niemand tijd heeft, of antwoordt, of opneemt, waarop plannen zomaar worden afgezegd en waarop doorheen die ijle stilte de geniale titel van Mindy Kalings autobiografie door je hoofd schalt. Dagen waarop je denkt: fuck, doe ik het verkeerd?

Hoe doen mensen dat die op elke Instagramfoto omringd worden door 12 mooie glimlachende boezemvrienden? Die in de aanloop naar hun trouwdag niet kunnen kiezen welke van hun levenslange BFF’s als eerste mag speechen en tafels te kort komen voor de 9 klieken die ze allemaal moeiteloos hebben weten te onderhouden? Maken ze het dan nooit mee, dat het fout loopt met een vriendschap? Dat het gewoon niet meer voelt als vroeger en je te weinig overhoudt om oprecht over te praten? Dat je nadat het uit raakt met een lief een groot deel van je gedeelde vriendenkring verliest? Dat het niet zo klikt met een nieuwe partner? Dat er een fout woord valt, een teleurstelling, die nooit uitgesproken wordt en begint te etteren? Dat je verhuist en sommige mensen plots minder gaat zien, zeker als er ook verbouwingen of babies opduiken? Dat je onzeker wordt als iemand waar je al maanden mee probeert af te spreken maar niet over de brug lijkt te komen, terwijl je ooit zo close was? 3a980e62748a1adc527d087799547749

De film Bridesmaids blijft voor mij nog altijd één van de beste komedies van de laatste jaren omdat ze de ups en downs van vriendschap zo eerlijk – en hilarisch – in beeld brengt. We maken fouten, we evolueren, we proberen en zelfs de meest stabiele vriendschappen kunnen klappen krijgen.

Ik heb er de laatste tijd veel gesprekken over gehad – ik heb dus TOCH vrienden, yes – en wat steeds terugkomt is dat vriendschappen als dertiger iets meer inspanning vragen. Je kan niet meer zo snel vermageren, je kan niet meer zo veel drinken én je kan niet meer zomaar vrienden van de bomen plukken. Je moet initiatief nemen, afspreken, kilometers doen, volhouden. En – dit klinkt een beetje als seksadvies voor lang getrouwde koppels – hopen dat het ondanks de beredeneerde moeite niet aanvoelt als een corvee. Dat je glimlachend terug naar huis gaat en denkt “Dààrom zijn wij dus vrienden, hoe zalig was dat”.

Onlangs viel mijn oog op een Buzzfeed-artikel over een zomerkamp voor volwassenen: “The purpose of the camp is to have fun, to act like a kid again, to recapture the same feeling you had at 12. Beyond that, though, it’s about making connections. Our mission is to enable adults to make genuine friendships through shared experience.” Yeesh. Dit is niet zomaar een beetje Stranger Things-achtige nostalgie. Dit zijn volwassenen die vriendschapsbandjes en T-shirts vol alcoholstift missen. Nu denken we zelfs al dat vriendschap vroeger simpeler was. Is daar iets van aan?

635896970044097077-1235145527_3b0b3c2dee9ec4c933d6343253b54c2cHet is 15 jaar geleden dat ik de middelbare school achter me liet en dat wordt binnenkort gevierd op een heuse reünie mét een tas koffie in de refter. Ik kijk er naar uit, want ik heb heel fijne, slimme, grappige vrouwen leren kennen op die school en ik hoop dat het goed met hen gaat en dat we even kunnen bijpraten. Dankzij Facebook weet ik natuurlijk al dat ze met pincetten strijkparels uit de oren van hun tweeling peuteren, maar elkaar zo eens in de ogen kijken is toch anders.

Of vriendschap in die periode zoveel makkelijker kwam, weet ik zo niet. Ik herinner me vooral hoge pieken en dalen (“Die is zonder mij gaan winkelen, IK HAAT DIE ZO HARD”), met al eens een wreedaardig kliekje hoog in de pikorde (meisjesschool…) en veel onzekerheid over wat iedereen van iedereen vond. Maar wanneer het goed zat, zat het wel uren-bellen-kleren-uitwisselen-blijven-slapen-geheimschrift-cassettes-vol-liedjes-en-boodschappen-opnemen goed zoals alleen pubermeisjes dat kunnen. “Ik heb echt fijne jaren op school gehad dankzij jou”, schreef die geheimschrift-vriendin me onlangs. Ik werd er op slag emotioneel van. Heel gewoon, heel waar en heel wederzijds. We hebben nog nooit samen op een Instagram gestaan, dat moeten we in oktober maar eens in orde brengen.

Update 9 oktober:

14572283_10104570323477192_7214415577091137846_n

Getagged

Small talk

481147_10101188843310552_941555721_n

Alleen op de metro naar Molenbeek, om middernacht, in een kleedje. De kerel naast me doet zijn beklag over twee tierende dakloze mannen, vraagt welk boek ik aan het lezen ben en of ik nog studeer – bitch please (more please). Ik antwoord, lach en zeg bonsoir wanneer ik afstap. Einde verhaal. Soms kies ik ervoor om ostentatief afstand te houden, soms gok ik dat de interactie gewoon aangenaam kan verlopen. Je weet ’t nooit zeker en als vrouw heb je toch in je achterhoofd dat jouw small talk voor een ander kan klinken als pillow talk. Als het dan inderdaad leuk afloopt word ik daar altijd goedgezind van. Het is wat gewichtloos, zo’n korte ontmoeting, maar beter dan een vaag, anoniem angstgevoel naar die wereld vol onbekenden.

Ik ben geen natuurlijke, extraverte iedereen inpakkende netwerker. Toen ik maanden geleden met Simon naar een netwerkavond trok, in Brussel, had ik een handvol conversaties kunnen en moeten opstarten. Maar ik zag een zee van mannen in grijze pakken en babbelde 90% van de tijd met leuke mensen die ik al kende terwijl ik toegewijd toastjes en taartjes at. Toen we vertrokken deed ik wat lollig tegen de mensen bij de uitgang. Ik heb ook in vestiaires gewerkt en daar kan je shift lang duren. Een kwartier voor het evenement galoppeert iedereen voorbij terwijl ze hun beregend textiel naar je hoofd gooien en daarna is het een twee uur durend snoozefest, ver van alle actie. Je eindigt met een routineus “Alstublieft, fijne avond nog” tenzij je de frightening five hoort:

“Dit is niet mijn jas”

of

“Dankuwel. En mijn dure sjaal?”

Je zegt “Natúúrlijk!” met je meest professionele glimlach terwijl je perfect weet dat je geen plan B hebt en dat je nauwlettend in de gaten wordt gehouden tot het probleem is opgelost. Afhankelijk van het uur hangen er nog 200 jassen in een soort duizelingwekkend Ikea-ballenbad-scenario (zo-veel identieke zwarte en donkerblauwe exemplaartjes en daar moet ik nu gaan induiken?) ofwel enkel nog een K-Way en een kikkerparaplu en doe je alsof je diep nadenkt terwijl je de upperclass razernij voelt briesen in je nek.

Deze mensen waren wél professionals, visten onze jassen vlotjes uit de hoop en deden leuk terug. In die vrolijke golf glimlachte ik bij het buitenwandelen ook naar de security-man en wenste hem een mooie avond. Een jonge kerel in zo’n grijs uniform met een gezicht dat er in rusttoestand – hij stond al een tijdje te standbeelden – chagrijnig uitzag. En plots zag ik hem knipperen en breed glimlachen. Zijn verraste “Bonne soirée” transformeerde zijn gezicht en hij werd een jongere, blijere en vooral op één of andere manier minder verre mens. Een minicontact, maar ik werd er intens gelukkig van en ik kan het me nog exact voor de geest halen. Een beetje zoals ik de dag na de aanslagen in Brussel van achter het stuur oogcontact maakte met de mannen van de vuilkar voor mij, ik spontaan zwaaide en een ontroerend enthousiaste zwaai terug kreeg. Niets wat me zo kan opwarmen als een onverwachte emotionele kabelbaan.

Er zijn boeken vol geschreven over hoe anoniem het leven in een stad kan aanvoelen. De verlegen, ietwat achterdochtige misantroop in mij zit niet zo diep – het nieuws lezen elke ochtend voedt haar genoeg. Maar hoe heerlijk is het wanneer ze even geen poot heeft om op te staan.

 

554355_10101188843599972_912760173_n 

Getagged , , , , , ,