Half

Precies een half jaar geleden lag ik in het ziekenhuis, met een slordige 3 kilo mens in mijn armen. Hondsmoe en toch bleef ik nog urenlang wakker, om te kijken en om tegen andere mensen te zeggen “kijk dan. Ja he? Echt he?”.

Vandaag is dat mensje dubbel zo zwaar. Komt er een eerste half tandje piepen. Zegt ze halve woordjes zoals “Beh” en “dah”. Kan ze half omrollen. Belandt meer dan de helft van haar eten effectief in haar mond. Krijg je haar nooit meer dan half aangekleed voor ze weer iets in haar vuistjes heeft weten te klemmen en probeert weg te wriemelen. Slaapt ze soms de halve nacht bij ons in bed. Sabbelt ze graag op haar halve hand. Heeft ze een half hoofd vol pluizige haartjes (vooraan wil het nog niet zo lukken). Wil ze Achiel graag aaien, maar moet hij niet veel weten van haar halve knijp-greep.

Wij zijn intussen al een half jaar streepje ouder. Ook nog wel onszelf en partner en broer/zus en zoon/dochter en oom/tante en vriend/vriendin en neef/nicht en collega en zo, maar toch ook héél veel ouder. In onze daden en dromen. In wat we doen, hoe, wanneer. Zonder pauze. Alsof iemand elke dag 7 schepjes Nutrilon in onze hersenpan kapt. We doen het niet slecht. Met geduld waarvan we niet wisten dat we het in ons hadden, met opofferingen waarvan we niet wisten dat ze helemaal niet als opofferingen zouden aanvoelen. Met één onuitgesproken regel: het beste voor haar.

36394047_10106112170403592_5595951510304325632_nKijk maar eens. Ze zit gewoon al rechtop in haar hoge stoel met één mollig voetje elegant over het andere, al haar speelgoed op de grond te flikkeren. En er is geen mooier beeld op de wereld dan haar gezicht dat zich in een brede, pure glimlach plooit – omdat ze ziet dat je kijkt, of dat je lacht of zingt of zwaait of gewoon binnenkomt. Wat een cadeau om iemand zo blij te kunnen maken met zo weinig en dat dat dan echoot en jij ook als een idioot zit te grijnzen.

Gelukkige dag, lieve, zachte, grappige, geweldige, om op te vreten flinke schelm van een Grote Liefde van ons. Je beseft niet half hoe groot.

 

 

 

Advertenties

Fluctuat nec mergitur

Het gebeurt niet elke dag dat ik in bed lig te bedenken hoe ik zou reageren op een terroristische aanval of een gijzeling. Maar dat komt ervan wanneer je net voor het slapen kijkt naar de driedelige documentaire “November 13: Fluctuat nec mergitur op Netflix.

Sinds 1358 is dat blijkbaar het motto van Parijs, de unieke, onweerstaanbare stad die in november 2015 opgeschrikt werd door een reeks terreuraanvallen. Er komen tientallen getuigen aan het woord, gewone Parijzenaars wiens leven die avond op een paar minuten tijd voor altijd hertekend werd. Geen blitse montage, geen overdreven gebruik van archiefbeeld: je ziet mensen aan een tafeltje, worstelend met hun emoties, hun best doen om hun herinnering zo accuraat en eerlijk mogelijk weer te geven. De ene kwam er zogezegd zonder kleerscheuren van af, maar draagt in zijn ogen nog altijd de shock van toen. De andere verloor zijn vrouw en de moeder van hun dochter. Het is waanzinnig hoeveel mensenlevens er – op om en bij een uur tijd? – uiteen zijn gescheurd, omdat een handvol mannen dat zo hadden uitgedacht. Het is ontroerend, schokkend, pijnlijk, uiteraard, en één vrouw slaagt er in om me meermaals te laten glimlachen, wat een heldin is me dat. Ze kan verdorie lachen met zichzelf en met de absurditeit van haar situatie.

Ik weet nog precies waar wij die avond waren: op restaurant, in Gramm, centrum Brussel. We zitten te eten met vrienden en rond 22u, 22u30 druppelen de eerste onheilspellende tweets en nieuwsberichten binnen op onze telefoons. We beseffen niet onmiddellijk hoe en wat. Ik had zelfs nooit van de Bataclan gehoord. Mathieu bestelt nog een fles wijn. De cijfers in de tweets beginnen te stijgen: minstens dertig doden. Vijftig. Al zeker zeventig.

Mensen die gewoon een glas dronken, die de werkweek wegspoelden met een collega, die hun vader net nog een filmpje hadden gestuurd van het concert, neergemaaid, “comme des lapins”. Je ziet talloze moedige hulpverleners. Je hoort iemand vertellen dat ze een wildvreemde de hand van een stervende zagen vasthouden, zodat die zijn laatste minuten niet alleen moest doorbrengen en je denkt: juist. We zouden in deze tijden nog vergeten dat we nog gewoon goed voor elkaar kunnen zijn.

Terwijl wij stil en voor een keer niet afgeleid door telefoons en laptops naar de docu kijken ligt onze baby rustig te slapen, voor onze neus. Veel getuigen hebben het over hun kinderen. Die waren gelukkig niet op de plaatsen waar de ontploffingen en schietpartijen plaatsvonden, maar ze waren wel de reden voor veel mensen om vol te houden. Zeker wanneer het vermoeden er was dat de andere partner het misschien niet zou halen. Het woord “orphelin” valt en spookt door mijn hoofd. Ik denk aan de nieuwsbeelden van de afgelopen dagen – de bange, huilende kleuters aan de Amerikaanse grens.

“Als wij ooit…” – “Daar wil ik niet aan denken.” Maar we denken hetzelfde.

Dag moeder

“Is ze er niet bij, ons lachebekje?”. Lang leve onze bakkerin. Een stralende vrouw met wit-blonde haren, een hippe bril en een kleindochter die een paar maanden ouder is dan Frances. Ik sta hier in mijn pyjamabroek en op mijn pantoffels. Dat is niet erg. Er zitten ocharme twee huizen tussen. Toen ik zo zwanger was dat ik mijn schoenen niet meer zelf kon aantrekken, stond ik hier ook nogal euhm, huiselijk. Dito voor de eerste weken post-partum. Ik wil maar zeggen: ze aanvaarden me hier zoals ik ben.

Ze wenst me een fijne moederdag. Ik blijf maar vergeten dat dat nu zondag is en vooral dat ik daar vanaf dit jaar ook “onder val”. Toen ik vorig jaar een bloemetje kreeg van mijn lieve nichtjes Janne en Kaat sloeg de schrik me even om het hart dat onze toen nog geheime zwangerschap op één of andere manier was uitgelekt. En toen ik deze week een cadeautje meekreeg op de crèche dacht ik dat het een soort welkomst-attentie was. De kinderverzorgster keek me een beetje meewarig aan: “Voor moederdag, he mama. Zondag pas openmaken!”. Ze zei ook dat Fran het zelf gemaakt had. Ik begin een beetje te vrezen voor wat er in dat rood papiertje zit, want het enige wat onze baby tot nu toe geproduceerd heeft… Ik zie het morgen wel. De kleindochter van de bakkerin heeft iets gemaakt met handafdrukjes – “Haar nageltjes zaten nog onder de rode verf!”. Mijn frank valt: toen we zagen dat Fran deze week een beetje goud op haar nageltjes had vroegen we ons al af hoe dat zat. Hadden ze manicure-dag gehouden voor de min 16 maanders? Duh. Knutseltijd. We hebben nog veel te leren over the Crèche Life.

Alsof ik nog niet verwend genoeg was met een gouden kunstobject kreeg ik dit weekend ook prachtige bloemen van mijn partner in kraam – voor de voorbije maanden. Het zit er op. Vanaf maandag gaat Frances echte, lange, volle dagen naar de crèche en ga ik echte, lange, volle dagen naar de Reyerslaan. Dat is geleden van 6 december. Een zee van tijd, maar wel één die ik moest navigeren met allerlei fysieke ongemakken en in het spoor van een wispelturige miniatuur-kapitein. Kaap de Goede Hoop, daar startten we elke dag. Er waren overvolle en lekker lege dagen. Voorspelbare, donkere, kant-en-klare, heldere en rumoerige dagen. En elke avond weet ik niet wie van ons twee blijer was om papa door de deur te zien komen, met kantoorverhalen, eten en een heel ander arsenaal knuffels, spelletjes en liedjes. Met die prikkelbaard waar haar vingertjes graag door woelen, die diepe stem en die perfecte slaap-arm. Ze kijkt gefascineerd toe hoe hij kookt (en stapt en eet en werkt en tv kijkt en ongeveer alles doet) en het is onduidelijk wie wie het vaakst doet lachen. Thick as thieves, deze twee. Ik heb het altijd wat pijnlijk gevonden als mannen zeiden dat “kinderen eigenlijk pas leuk worden vanaf twee jaar, als ze zo wat kunnen praten”. Voor mijn part mocht zwangerschapsverlof gerust gelijkmatiger verdeeld worden tussen Haar en Hem – met uitzondering van het borstenverhaal kunnen vaders alles doen wat nodig is, met net zo veel liefde en tederheid.

Vanaf maandag moeten we allebei wachten tot de vroege avond om haar uitgebreid te knuffelen en onze vragen op haar af te vuren. Na moederdag volgt “dag, moeder”. De glasheldere taak waar ik de voorbije maanden mijn dagen mee vulde komt nu in iemand anders z’n bakje. Ik was niet altijd even overtuigd van wat ik deed – en dat is een understatement – maar het was wel lekker duidelijk allemaal. Zij moest het warm genoeg hebben, veilig zijn, comfortabel, gevoed, proper, gelukkig. Gewoon dat. Al de rest kon wachten.

In december reden we stilletjes en bijzonder langzaam van het ziekenhuis naar huis toe, vol vragen. Als we nu op pad zijn – al iets zekerder van ons stuk – horen we vrolijk gefrazel van op de achterbank. Ons heerlijk meisje, dat elke dag nieuwe dingen kan en guitiger begint te kijken. “Ca pousse”, zoals ze hier zeggen. Wat hebben wij onvatbaar veel geluk dat ze erbij is.

 

Getagged

Interview met “nachtoppas”

Jean-Claude Vranckx (55) houdt niet zo van de term “vrijwilligerswerk” en ook niet van het woord “oppas”. Wat hij doet, voelt namelijk niet aan als werk en al zeker niet als oppassen. Maar hij doet het wel met hart en ziel.

Lees hier het hele interview.

 

Getagged , , ,

Boekje “Een nieuw gezin” bij De Standaard

In 2016 werkte ik mee aan een boekje over rouw, gebaseerd op verschillende publicaties van Manu Keirse. Deze maand biedt De Standaard weer vier interessante titels aan, rond het thema “opgroeien anno 2018”. En deze keer hielp ik om het boek van jurist-bemiddelaar Maaike Goyens over nieuwe gezinnen in een kleiner formaat te gieten – dat groene in het midden.

Onder nieuwe gezinnen vallen alle koppels waarvan minstens één partner al kinderen heeft uit een vorige relatie. Niet vanzelfsprekend. Wanneer stel je je nieuwe partner voor aan je kinderen? (Waar) ga je samenwonen? Hoe regel je alles financieel? Wat als de ouders of de ex van je partner zich ronduit vijandig opstellen? En wat als de puzzelstukken na een aantal jaar nog steeds niet in elkaar passen en je ten einde raad bent? In dit boek geeft Maaike Goyens nieuwe gezinnen belangrijk juridisch advies en steekt ze hen, ook vanuit haar eigen ervaringen, een hart onder de riem. Als het toch fout loopt – en die kans is helaas groot – dan zijn er manieren om op een volwassen manier uit elkaar te gaan en een (nieuwe) vechtscheiding proberen te vermijden.

Getagged , , , , , , , ,

Klein spook

Dat ik als kind al veel verbeelding had, moet je mijn ouders niet vertellen. Ze liepen beschaamd een paar meter achter me terwijl ik een onzichtbaar hondje aan een al even ingebeelde leiband uitliet – een hondje dat wel eens kon treuzelen, of net veel te snel liep en dat ik voorzichtig opzij trok als er tegenliggers waren. Gelukkig bleef het bij die ene vijs en kwam het voor de rest wel in orde. (Soms waren het ook meerdere honden, van verschillende rassen, grote én kleintjes. Dat waren zelfs voor een volleerde dogwalker als ik een beetje stresserende wandelingen, want die beestjes liepen natuurlijk niet allemaal braaf naast elkaar. JA ZEG.)

Zelf een kindje krijgen heeft mijn verbeelding weer in een hogere versnelling getrapt. Ik denk dat ik haar hoor wenen, terwijl ze rustig ligt te slapen. Ik moet een paar keer opnieuw aan een stuk stof (mijn kleren, haar kleren, tetradoeken,…) voelen om te bepalen of het nu echt nat is of gewoon een beetje klam of een kwestie van fantoom-nattigheid. Maar de minst leuke waanideeën zijn die rond haar gezondheid. Zodra er iets aan de horizon opduikt, verandert mijn brein in een goedkope clickbait-site. “Deze ouders negeerden één banaal symptoom. ZE ZOUDEN HET ZICH HUN HELE LEVEN BEKLAGEN.” “De onzichtbare (maar dodelijke!) gevaren in je eigen huiskamer”. “Vijfentachtig zaken waar je kind allergisch aan kan zijn. Ken jij ze allemaal?” “Deze vrouw lette één moment niet op. Je raadt nooit wat er toen gebeurde.” Een beetje oogprut, een beetje uitslag, een beetje roodheid: ik heb weinig nodig om op hol te slagen. Ze zal toch wel ok zijn? Voelt ze nu warm aan? Ze zal toch vannacht niet ineens achteruit gaan en dat wij dan slapen en het niet merken? Moeten we misschien toch niet… Dan blijft het spoken in mijn hoofd tot ze de volgende keer gulzig eet of vrolijk brabbelt.

Het weegt, de verantwoordelijkheid voor zo’n hulpeloos marmotje. En dan te denken dat er nog 101 kinderziektes en 13 ongelukken op ons af komen (meer als ze veel van haar vader heeft). Als mijn mama vroeger zei dat ze wou dat ze ziek kon zijn in mijn plaats, vond ik dat als 8-jarige totaal onbegrijpelijk. En ongeloofwaardig. Het zal wel, moeder. Het zal zeker.

 

 

 

 

Getagged

Bio Sam Renascent

Een paar maanden geleden mocht ik deze charmante ster-in-wording interviewen in hartje Brussel, zodat ik een korte bio kon schrijven net voor zijn eerste single “Kobotama” uitkwam. Wie hem live wil zien: dat kan, in de AB, in mei!

 

Getagged , , , ,

Ridders & rohypnol

Er was eens een kindje dat zo goed geslapen had dat haar mama haar in een berenpak stak en haar trakteerde op een uitstap naar centrum Brussel. Ze gingen langs boekenwinkel Passa Porta, een hoop klerenwinkels, Super Green Me en de hele tijd scheen het zonnetje en lachte het leven hen toe. Niet alleen het leven, maar vooral ook de Brusselse ridders. 

We kwamen ze tegen vandaag, ja, in grote getale. In metrostation Simonis was het een opgeschoten tienerjongen met magere benen die ons ter hulp kwam: hij zou de koets wel even mee de trappen afdragen. Ik verdenk hem ervan dat hij het vooral deed om indruk te maken op zijn vriendinnetje – een meisje met zorgvuldig gekrulde lokken die mijn ongedouchte zelve geen blik gunde. Na een lange gang kwam trap 2 en ook daar greep een man – solo deze keer – zonder veel poespas het voorste wiel. Eenmaal op de metro vroeg een andere man spontaan of ik wou zitten en bij de kinderwinkel L’asticot dook knight in shining armor nummer 4 op: de man met de korte paardenstaart mompelde nog iets over dat het wel vreemd was dat een kinderwinkel niet voorzien was op koetsen, hielp ons de trappen op en wenste me nog een bonne journée.

Op zoek naar een plek om te lunchen waar ik eventueel ook borstvoeding zou kunnen geven belandde ik in Chicago, een soort kindercafé. Ik kreeg het laatste vrije tafeltje, maar kon me amper concentreren op de menukaart. Dat het er druk zou zijn op een vakantiedag had ik wel verwacht maar het aantal decibels zat net één peuter-meltdown boven wat ik mentaal aan kon. Ik zag de twee vrouwen naast me ook een beetje bedenkelijk kijken (“Wij hébben niet eens kinderen bij, wat DOEN we hier?”), wierp een blik op mijn onverstoorbaar ronkend Beertje Rohypnol en besloot dat ik even goed door kon zetten tot thuis waar we allebei in alle rust zouden kunnen eten. En toen was daar ridder nummer 5: een lieve Chicago-vrouw met rood haar die volgens mij een beetje aan het aftellen was tot sluitingstijd. Ik hoefde niet eens iets te zeggen. “Druk he? Ik weet het. Het is echt superdruk. Sorry hoor. Nee, ik begrijp het, ik houd even de deur voor jullie open”. Ze deed niet zakelijk, niet emotioneel, niet fake bezorgd, maar heel gewoon: ze keek me in de ogen en ze begreep het. Dat dit het even niet was. Dat ik na die eerste 6 weken nog een beginner ben. Nog niet één van die onverstoorbare ouders die eender waar eender wanneer neerploffen en doen wat moet gebeuren. Ik moet Brussel een beetje opnieuw leren kennen, nieuwe routes uitstippelen, met veel liften, vlakke stoepen en brede passages. En als ik verkeerd loop, moet ik af en toe mijn kar keren. Of mijn koets.

We wandelden rustig naar IJzer waar een iets oudere man die op straat een beetje stond te keuvelen met grote passen naar ons toe kwam. “Je vous aide!”. Toen ik hem onderaan de eerste trap wou bedanken, beende hij weer voor ons uit: “Er is nog een trap! Kom maar, ik help u daar nog af.” Eenmaal op het perron gaf ik hem mijn breedste glimlach, een grand merci en een voorzichtig kneepje op zijn arm. Maar dat kon hij natuurlijk niet voelen, in zijn blinkende harnas.

Getagged ,

Dubbelinterview Groen

Voor Vlaams parlementslid Imade Annouri en Sandrine Ekofo, juriste en voorzitter van de Afro-Belgische vereniging Kilalo, is het duidelijk welke kant we uit moeten. ‘Iedereen die mee wil nadenken en wil bouwen aan onze toekomst verdient een plaats rond de tafel.’ Een levendig gesprek over samenleven in een Vlaanderen dat steeds diverser wordt.

Gepubliceerd in “Pit” (winter 2018)

Getagged , , , , , , ,

Dokter, dokter

How not to.

1. Vertrek te laat naar de dokter zodat je je onderweg goed kan opjagen.

2. Vergeet je boekje van Kind en Gezin, zodat je één straat terug moet, de koets weer naar binnen moet sjouwen en nog snel de trap moet oprennen.

3. Loop onderweg nog eens verkeerd, denk “Ik zal wel ongeveer op dezelfde plek uitkomen” en beland in een (mooi!) doodlopend straatje, waardoor je uiteindelijk toch op je stappen moet terugkeren en nog een pak meer tijd verliest.

4. Heb het veel te warm. Zweet. Vraag je constant af of de baby wel ok is, onder die laagjes. Vraag je af of de dokter straks je zweet zou ruiken.

5. Vraag je baby om het op een erbarmelijk krijsen te zetten zodra je bij de dokter bent. Maak het nog raarder door je kind niet meteen te kunnen troosten en haar zo ongemakkelijk bij je te pakken dat de dokter zich waarschijnlijk afvraagt of jij wel de echte moeder bent of iemand die voor het eerst in haar leven een baby van dichtbij ziet.

6. Val helemaal door de mand wanneer de dokter vraagt of je een propere luier bij je hebt (ja!) en ook doekjes (… nee. De luiertas zou morgen toekomen, dan ga ik alles netjes bij me hebben. Dit is écht mijn baby waar ik al een maand voor zorg, echte waarheid.)

7. Hoor de dokter zeggen dat alles qua hart, longen, gewicht en groei perfect is maar spits vooral je oren wanneer ze praat over dingen die beter zouden kunnen, zoals haar luieruitslag en buikkrampen. Laat de tranen in je ogen springen bij het idee dat je je kind niet perfect aan het verzorgen bent en ze dus de hele dag lang geweldig afziet door jouw egoïstische schuld.

8. Doe je uiterste best om je tranen te verbergen en trek daarbij zo’n onnatuurlijk gezicht dat de dokter zich nu niet alleen afvraagt of je een kidnapper bent, maar daarnaast of jij misschien ook last hebt van pijnlijke krampjes.

9. Haast je naar huis om nog op tijd langs de apotheek te kunnen. Geef de baby meteen eten. Strek je pijnlijke rug en benen en besef dat je sowieso al twijfelachtige conditie nu echt zo goed als weg is.

10. Gooi je gloednieuwe anti-kramp-druppeltjes per ongeluk mee weg met een lege doos koekjes en vis ze de dag erna, na lang vruchteloos zoeken en de gouden tip van je echtgenoot, uit de vuilbak.

Voila. Meer is het eigenlijk niet.

Getagged