Categorie archief: blog

Nooit meer dromen

“Ik droom eigenlijk nooit,” zegt hij. “Dan moet jij wel heel zen in het leven staan, als je ’s nachts niets te verwerken hebt.” In mijn hoofd zie ik een oertriest dromen-coördinatie-lokaal, waarin één dof mannetje werkt met een knoert van een bore-out. Elke avond zet hij zich met een zucht achter zijn bureau, duwt hij zijn bril wat hoger op zijn bleke neus en legt zijn magere hand op een lege A4. Alweer niks. Traag neemt hij de rode stempel, drukt die zorgvuldig en gelijkmatig neer en zet bedachtzaam een krabbel met een glanzende, zilveren pen. Het lege blad komt in het uit-bakje, hij trekt zijn grijze regenjas aan en doet de deur stilletjes toe. De rest van zijn uren doodt hij dan maar in het stationsbuffet.

A man standing in an empty office

Bij mij krijgt de dromencoördinator – afgekloven nagels, rood aangelopen wangen, een wijde blouse waar ze om de 9 seconden aan pulkt – het amper gebolwerkt. Elke shift opnieuw stoot ze op een uitpuilende inbox, een verse stapel dossiers vol post-its en uitroeptekens en een genadeloos tikkende klok. Ze vloekt aan één stuk door omdat ze alweer een fucking nachtmerrie over “het is de avond van onze première en ik ben al mijn tekst vergeten” moet combineren met “vastzitten op een hoog platform dat steeds kleiner wordt”, terwijl er nog drie onzinnige dialogen liggen te wachten, een woeste kus, een fictief huisdier dat plots zoek is en, want dat kan er ook nog wel bij, een verse guts schuldgevoel, voor half zes. En dat is alleen de originele planning, he, dus daar komt sowieso nog iets tussen – je zal het godverdomme elke keer zien. Wanneer er een telefoontje binnenkomt met de vraag of die ene futiliteit die 11 jaar geleden fout liep niet nog eens aan bod kan komen, smijt ze de hoorn neer. Het bruistabletje plopt het glas koud water in. Het wordt een lange nacht.

 

 

Getagged , ,

Krokodil

15139347_10104699818762602_1791816844_n

Ik sta in een zee van wit zand, omringd door trappelende voetjes en ouders die doen alsof ze niet merken dat hun gebroed lichtgewond op de grond ligt te snikken. Mijn nichtje van drie en ik staan midden in de speeltuin. Ze kiest een lange houten krokodil uit, op twee rode veren, en we kruipen er op – tandemgewijs. Als ik even wiebel en het dier zich roert, roept ze meteen dat ik moet stoppen. “Dat ben ik niet! Het is de krokodil.” Ze is er nog mee weg ook. Of ze speelt het spelletje gewoon mee, wie zal het zeggen. Ze stapt af, marcheert naar voor en wendt zich tot het oermonster. “Wat is me dat nu, zeg”. Als een volleerde schooljuf. Hij is tot de orde geroepen, we kunnen verdergaan met zitten.

Vandaag is een inhaaldag. We zien elkaar niet vaak genoeg, zij en ik. Dat besef ik nog maar eens wanneer ze me op een stil moment oprecht vraagt: “Maar tante Fie… waarom ben jij hier nog al-tijd?”. Ik zeg niets en wiebel zachtjes nog eens met mijn poep.

Quizas

Vorige week lachten mijn collega Gianni en ik er nog samen om: die vreselijke muzikanten op de metro, die ’s ochtends vroeg met een slechte box op wieltjes en een schelle microfoon “Volare” in je oor toeteren, “My Way” of de ultimate favorite “Quizás Quizás Quizás”. Ik heb in die fase van mijn dag echt nul behoefte aan lawaai, maar ergens heeft het ook een soort rottige charme, zoals heel Brussel.

Gisterenavond op café kwam het gesprek plots weer op de aanslagen van 22 maart – hoe we het nieuws hoorden, waar we de dag en de avond doorbrachten, hoe we ons de weken nadien voelden en organiseerden. Ook de metro nemen was die eerste keren natuurlijk anders, beklemmend. Alle stellen reden trager. Extra seconden om door het raam te kijken, maar buiten was niets te zien. De eerste weken stonden in Maalbeek enkel houten panelen, daarna het spierwitte station als vanouds. Binnen leek iedereen stiller, voorzichtiger. Elke rugzak werd gemonsterd. En nergens muzikanten te bespeuren.

14993494_10104668791481522_6241982421536893779_n

Dat mijn zenuwen meer gespannen stonden dan ik zelf door had, werd duidelijk toen één man out of the blue en a capella begon te zingen, het hele metrostel door. In een taal die ik niet herkende of kon plaatsen en op de toon van een gebed, of een soort chant. Misschien was het een oproep voor wereldvrede en harmonie. Misschien deed hij het om zichzelf te kalmeren en wou hij er ons ook een plezier mee doen. Misschien is die man wel stiekem de tofste peer ter wereld. Maar die eerste tien seconden werd ik er vooral heel erg kwaad van. Niet nu. Niet hier. Wat zeg jij, wat wil jij, is er gevaar? Hij zong, en dat was het. Er gebeurde niks. Ik heb ‘m sindsdien nog gezien en gehoord. Nu zit hij gewoon in mijn vakje ochtend-irritatie en niet in mijn vakje angst. Wat vreemd dat ik een zingende man op een bepaald moment heb ervaren als iets agressiefs.

Vandaag zag ik in het station van Maalbeek lelijke bruine graffiti. Stom, maar misschien ook het ultieme bewijs van back-to-normal. Ik werd extra verwend met een slechte box en een trompettist. Zo mag het blijven.

Getagged , , , ,

Vriendelijk

“Je hebt lang niet zoveel vrienden als je denkt”. Met variaties op die dramatische titel landden een paar maanden geleden een hoop artikels online. Uit een onderzoek is gebleken dat niet iedereen die jij ziet als een goede tot zeer goede vriend jou ook zo bekijkt. Patat. En dat terwijl elk geluksboek ons op het hart drukt dat een stevig sociaal netwerk dé sleutel is tot een lang en gelukkig leven. Great. No pressure. Laat vriendschap nu net iets zijn dat je op geen enkele manier kan fabriceren of opkloppen.

51jwxlk8knl-_sx325_bo1204203200_We willen het allemaal zo goed doen en in alles uitblinken – maar de realiteit blijft ons in ons gezicht blazen. De alom bejubelde Dirk De Wachter heeft de laatste jaren een hoop sociale wurgslangen bezweerd. De meeste relaties zijn een beetje wankel, je werk is maar je werk, niet elke dag is een feest, so be it. Als moeder mag je tegenwoordig toegeven dat die roze wolk serieus kan tegenvallen. Mag je intussen ook benoemen dat je soms wat worstelt met die berg topvrienden waar iedereen op lijkt rond te tortelen, Sound of Music style? Dat het soms vanzelf gaat en je je pollekes kust, maar dat er ook andere dagen zijn? Dagen waarop niemand tijd heeft, of antwoordt, of opneemt, waarop plannen zomaar worden afgezegd en waarop doorheen die ijle stilte de geniale titel van Mindy Kalings autobiografie door je hoofd schalt. Dagen waarop je denkt: fuck, doe ik het verkeerd?

Hoe doen mensen dat die op elke Instagramfoto omringd worden door 12 mooie glimlachende boezemvrienden? Die in de aanloop naar hun trouwdag niet kunnen kiezen welke van hun levenslange BFF’s als eerste mag speechen en tafels te kort komen voor de 9 klieken die ze allemaal moeiteloos hebben weten te onderhouden? Maken ze het dan nooit mee, dat het fout loopt met een vriendschap? Dat het gewoon niet meer voelt als vroeger en je te weinig overhoudt om oprecht over te praten? Dat je nadat het uit raakt met een lief een groot deel van je gedeelde vriendenkring verliest? Dat het niet zo klikt met een nieuwe partner? Dat er een fout woord valt, een teleurstelling, die nooit uitgesproken wordt en begint te etteren? Dat je verhuist en sommige mensen plots minder gaat zien, zeker als er ook verbouwingen of babies opduiken? Dat je onzeker wordt als iemand waar je al maanden mee probeert af te spreken maar niet over de brug lijkt te komen, terwijl je ooit zo close was? 3a980e62748a1adc527d087799547749

De film Bridesmaids blijft voor mij nog altijd één van de beste komedies van de laatste jaren omdat ze de ups en downs van vriendschap zo eerlijk – en hilarisch – in beeld brengt. We maken fouten, we evolueren, we proberen en zelfs de meest stabiele vriendschappen kunnen klappen krijgen.

Ik heb er de laatste tijd veel gesprekken over gehad – ik heb dus TOCH vrienden, yes – en wat steeds terugkomt is dat vriendschappen als dertiger iets meer inspanning vragen. Je kan niet meer zo snel vermageren, je kan niet meer zo veel drinken én je kan niet meer zomaar vrienden van de bomen plukken. Je moet initiatief nemen, afspreken, kilometers doen, volhouden. En – dit klinkt een beetje als seksadvies voor lang getrouwde koppels – hopen dat het ondanks de beredeneerde moeite niet aanvoelt als een corvee. Dat je glimlachend terug naar huis gaat en denkt “Dààrom zijn wij dus vrienden, hoe zalig was dat”.

Onlangs viel mijn oog op een Buzzfeed-artikel over een zomerkamp voor volwassenen: “The purpose of the camp is to have fun, to act like a kid again, to recapture the same feeling you had at 12. Beyond that, though, it’s about making connections. Our mission is to enable adults to make genuine friendships through shared experience.” Yeesh. Dit is niet zomaar een beetje Stranger Things-achtige nostalgie. Dit zijn volwassenen die vriendschapsbandjes en T-shirts vol alcoholstift missen. Nu denken we zelfs al dat vriendschap vroeger simpeler was. Is daar iets van aan?

635896970044097077-1235145527_3b0b3c2dee9ec4c933d6343253b54c2cHet is 15 jaar geleden dat ik de middelbare school achter me liet en dat wordt binnenkort gevierd op een heuse reünie mét een tas koffie in de refter. Ik kijk er naar uit, want ik heb heel fijne, slimme, grappige vrouwen leren kennen op die school en ik hoop dat het goed met hen gaat en dat we even kunnen bijpraten. Dankzij Facebook weet ik natuurlijk al dat ze met pincetten strijkparels uit de oren van hun tweeling peuteren, maar elkaar zo eens in de ogen kijken is toch anders.

Of vriendschap in die periode zoveel makkelijker kwam, weet ik zo niet. Ik herinner me vooral hoge pieken en dalen (“Die is zonder mij gaan winkelen, IK HAAT DIE ZO HARD”), met al eens een wreedaardig kliekje hoog in de pikorde (meisjesschool…) en veel onzekerheid over wat iedereen van iedereen vond. Maar wanneer het goed zat, zat het wel uren-bellen-kleren-uitwisselen-blijven-slapen-geheimschrift-cassettes-vol-liedjes-en-boodschappen-opnemen goed zoals alleen pubermeisjes dat kunnen. “Ik heb echt fijne jaren op school gehad dankzij jou”, schreef die geheimschrift-vriendin me onlangs. Ik werd er op slag emotioneel van. Heel gewoon, heel waar en heel wederzijds. We hebben nog nooit samen op een Instagram gestaan, dat moeten we in oktober maar eens in orde brengen.

Update 9 oktober:

14572283_10104570323477192_7214415577091137846_n

Getagged

Small talk

481147_10101188843310552_941555721_n

Alleen op de metro naar Molenbeek, om middernacht, in een kleedje. De kerel naast me doet zijn beklag over twee tierende dakloze mannen, vraagt welk boek ik aan het lezen ben en of ik nog studeer – bitch please (more please). Ik antwoord, lach en zeg bonsoir wanneer ik afstap. Einde verhaal. Soms kies ik ervoor om ostentatief afstand te houden, soms gok ik dat de interactie gewoon aangenaam kan verlopen. Je weet ’t nooit zeker en als vrouw heb je toch in je achterhoofd dat jouw small talk voor een ander kan klinken als pillow talk. Als het dan inderdaad leuk afloopt word ik daar altijd goedgezind van. Het is wat gewichtloos, zo’n korte ontmoeting, maar beter dan een vaag, anoniem angstgevoel naar die wereld vol onbekenden.

Ik ben geen natuurlijke, extraverte iedereen inpakkende netwerker. Toen ik maanden geleden met Simon naar een netwerkavond trok, in Brussel, had ik een handvol conversaties kunnen en moeten opstarten. Maar ik zag een zee van mannen in grijze pakken en babbelde 90% van de tijd met leuke mensen die ik al kende terwijl ik toegewijd toastjes en taartjes at. Toen we vertrokken deed ik wat lollig tegen de mensen bij de uitgang. Ik heb ook in vestiaires gewerkt en daar kan je shift lang duren. Een kwartier voor het evenement galoppeert iedereen voorbij terwijl ze hun beregend textiel naar je hoofd gooien en daarna is het een twee uur durend snoozefest, ver van alle actie. Je eindigt met een routineus “Alstublieft, fijne avond nog” tenzij je de frightening five hoort:

“Dit is niet mijn jas”

of

“Dankuwel. En mijn dure sjaal?”

Je zegt “Natúúrlijk!” met je meest professionele glimlach terwijl je perfect weet dat je geen plan B hebt en dat je nauwlettend in de gaten wordt gehouden tot het probleem is opgelost. Afhankelijk van het uur hangen er nog 200 jassen in een soort duizelingwekkend Ikea-ballenbad-scenario (zo-veel identieke zwarte en donkerblauwe exemplaartjes en daar moet ik nu gaan induiken?) ofwel enkel nog een K-Way en een kikkerparaplu en doe je alsof je diep nadenkt terwijl je de upperclass razernij voelt briesen in je nek.

Deze mensen waren wél professionals, visten onze jassen vlotjes uit de hoop en deden leuk terug. In die vrolijke golf glimlachte ik bij het buitenwandelen ook naar de security-man en wenste hem een mooie avond. Een jonge kerel in zo’n grijs uniform met een gezicht dat er in rusttoestand – hij stond al een tijdje te standbeelden – chagrijnig uitzag. En plots zag ik hem knipperen en breed glimlachen. Zijn verraste “Bonne soirée” transformeerde zijn gezicht en hij werd een jongere, blijere en vooral op één of andere manier minder verre mens. Een minicontact, maar ik werd er intens gelukkig van en ik kan het me nog exact voor de geest halen. Een beetje zoals ik de dag na de aanslagen in Brussel van achter het stuur oogcontact maakte met de mannen van de vuilkar voor mij, ik spontaan zwaaide en een ontroerend enthousiaste zwaai terug kreeg. Niets wat me zo kan opwarmen als een onverwachte emotionele kabelbaan.

Er zijn boeken vol geschreven over hoe anoniem het leven in een stad kan aanvoelen. De verlegen, ietwat achterdochtige misantroop in mij zit niet zo diep – het nieuws lezen elke ochtend voedt haar genoeg. Maar hoe heerlijk is het wanneer ze even geen poot heeft om op te staan.

 

554355_10101188843599972_912760173_n 

Getagged , , , , , ,

Groep C

“En? Hoe was het?”

“Tsja. Weer groep C, he, papa.”

Ik was te klein om te beseffen hoe defaitistisch ik klonk. En te jong om te begrijpen waarom mijn vader een lach niet kon onderdrukken. Maar ik was oud genoeg om op sportkamp te gaan en dat was, zacht uitgedrukt, niet mijn biotoop. Op atletiekkamp vond ik verspringen nog het minst erg, dat was snel voorbij en je voet kon niet achter een horde blijven haperen. Op badmintonkamp kreeg ik pity points tijdens het toernooi waarop ik toch laatste zou worden. En op tenniskamp stelde de monitor na de 80ste hopeloze backhand voor om “misschien gewoon de ballen die uit zijn op te rapen en in de mand te gooien.” Een pijnlijke beproeving dus, al deed mijn arme moeder alleen maar haar best om die lange zomer te overbruggen. En begreep ik dat een week alleen thuisblijven ook geen optie was.

Nee, eigenlijk begreep ik dat niet. Ik hield me zo rustig bezig op mijn kamer dat mijn moeder moest komen kijken of ik niet bewusteloos naast mijn bed lag. “Nog steeds ok? Geen honger? Dorst? Kom je niet eens naar buiten? Het is mooi weer, hoor.” Vergeefse moeite. Ik lag uren te lezen op de bodem van mijn kleerkast – daar lagen alle slaapzakken, uitgerold – en had niets nodig. In de andere hoek van de kamer stond mijn Barbie-wereld in een ongebruikte open haard. Dat er elke dag een andere blonde deerne in bed eindigde met bruine Ken was een reflectie van mijn fascinatie voor The Bold and the Beautiful. En meestal de schuld van bruine Barbie, de achterbakse feeks die iedereen tegen elkaar opzette (dat blonde vrouwen met blauwe ogen per definitie lief en onschuldig zijn was me toen al grondig ingepeperd. Dat blonde Ken het onderspit delfde was gewoon omdat hij een raar gezicht had). Avontuur en emotie haalde ik uit mijn verbeelding en van het papier – geen haar op mijn hoofd dat overwoog om ervoor in een boom te klimmen of er een judopak voor aan te trekken.

Wat had ik op een sportkamp verloren? Ik was klein, schriel en had de core strength van een Petit Gervais. Om van mijn reflexen nog te zwijgen. Op skivakantie werd ik plots hyperreligieus en bad ik de hele ankerlift lang tot God om me alsjeblief rechtop te houden. En op school was ik letterlijk het kind dat als laatste werd gekozen voor eender welk team. De twee kapiteins begonnen met hun beste vrienden, dan de sportiefste kinderen, de ietwat onpopulaire maar toch relatief atletische types (“Ok, hij bijt en zijn jogging zit binnenstebuiten, maar hij kan wel snel lopen”) en daarna viel het kiezen stil. De drie drommels die er nog stonden waren irrelevante massa. Te dik of te klein. Nul punten waard.

14022285_10104381065831032_5164585695449283502_n

Mijn grote broer, die moest op sportkamp. Hij was ervoor gemaakt. Groep A, sowieso. En tegen maandagmiddag hadden zijn blauwe ogen en gekke mopjes hem al een hoop vrienden – vooral meisjes – opgeleverd. Terwijl ik ergens in de schaduw van een boom voor de 3e keer de ingrediënten van mijn brikje appelsap aflas.

Intussen zijn we groot. Mijn broer heeft al een hoop marathons onder zijn gordel en ik heb grotere boekenkasten nodig. Dat het op sportief vlak bij participation trophies zal blijven, daar heb ik meer dan ooit vrede mee. Ieder z’n talenten. Dat alles makkelijker zou zijn als ik groot was, bleek een tegenvaller. Maar ik kies nu wel mijn eigen team. En wie nooit valt of verliest, mag zelfs niet meedoen.

 

Getagged , , , ,

Delicat

Ik laat mijn blik dwalen over het boekenrek, sectie theaterstukken. Even registreer ik “The Great Warmachine” als “The Great Wasmachine”. Wel, ja. Zo voelt het ongeveer in mijn hoofd, de laatste weken. Gedachten smijten zich te pletter tegen het glas, worden bruut weggetrokken en overspoeld door alweer een nieuwe golf, alles klotst en uiteindelijk blijft niets overeind. Ik ben niet verstaanbaar en ik krijg niets scherp in zicht. Hoeveel tijd heb ik en wat doe ik er mee? Heb ik al te veel tijd verspild? Hoe gooi ik dat roer om? Op wie kan ik rekenen, echt? Ben ik zelf wel goed genoeg om op andermans verjaardagskalenders – waarom hangen die trouwens zo vaak op de WC? – te belanden? Wat kan ik, wat kan ik worden? Welke fouten maak ik en welke boetes betaal ik ervoor? Met elke vraag wordt mijn hoofd vuiler.

Headspace, hoor ik van lieve mensen. Dàt heb je nodig. Ik installeer de sobere oranje bol op het scherm van mijn telefoon. Een app die je helpt om te mediteren, of je nu op de vloer van je badkamer zit, op de fiets of in een luchthaven. “Hi, my name’s Andy” zegt een kalme stem met een Brits accent. Hij raadt me aan om een plek te zoeken waar ik tien minuten ongestoord en in relatieve stilte kan zitten. Ik kies de WC, het kleinste kamertje voorhanden. Andy raadt me aan om elke dag op dezelfde plek en hetzelfde moment te mediteren, liefst “first thing in the morning”. Aan alles is gedacht: je kan meer mindful worden terwijl je kookt, terwijl je eet, er is een sessie voor mensen met vliegangst en een snelle SOS-oefening voor noodsituaties. Een korte cyclus, voor als het je te heet onder de voeten wordt.

IMG_4630

De deur van de WC glijdt open. Een donzig wit pootje. Daar is mijn meester van de mindfulness. Uiteraard kon hij me geen tien minuten space geven. Sinds hij bij ons introk, heb ik niet één keer privé kunnen plassen. We kijken elkaar aan. Het beestje is genetisch belast met een chagrijnige kop, maar hij lijkt me bovengemiddeld tevreden. Met de uitzondering van de deurbel en de stofzuiger heeft hij geen vijanden. Hij heeft niets te bewijzen. Zijn adem stinkt naar kant-en-klaarmaaltijden, zijn rechteroog loenst en hij ruift het hele huis onder maar toch vindt hij zichzelf altijd een even grote kanjer. Zonder gêne likt hij elke centimeter van zijn lichaam – achterpoot stijf omhoog als een Nazi-armpje – en ik weet wel zeker dat ik niemands anus al zo vaak zo dicht bij mijn gezicht heb gehad. Hij legt zich rustig aan mijn voeten. Terwijl ik mijn vingers laat kraken, strekt hij zijn achterpoten, zijn teentjes uiteengesperd en lichtjes trillend. “Hoe moet het nu ooit goedkomen met mijn leven, lieve schat, als jij mij altijd stoort?”. Hij toont mij zijn witte roefelbuik. Brandschoon.

Getagged , , , , , ,

Colombia (deel 6)

Maandag dobberden we urenlang in een grote autoband een 35 meter brede rivier af – ziet er wellicht onnozel uit maar qua zenervaring kon het tellen. Stilte, weerbarstig groen waar je maar kijkt, een felgekleurd sprinkhaantje dat meereist op je blote knie, even praten en dan weer solo voortdrijven.

Op de bus naar het zuiden kwam het vreselijke nieuws over Istanbul binnen. Turkish Airlines uiteraard in de knoop dus in plaats van op het vliegtuig naar huis zitten we plots in een zakenhotel dat ook iets weg heeft van een rusthuis. Dat we onze voucher-lunch opaten tegenover 3 zwijgzame, bejaarde Colombianen maakte de overgang nog wat absurder. Het rivierwater of het ijs in die laatste mojito of dat dodgy vlees van gisteren, wie zal het zeggen, heeft ons ook allebei fysiek even in de maag gestompt. Gelukkig is er Keeping up con les Kardashians op tv…
Reality, als het ware.

Getagged , , , , ,

Colombia (deel 5)

13516728_10104243376267022_7444477955405114614_n

Gisteren namen we een minibus van Santa Marta tot in Minca – wij zaten achterin op een bankje, in wat eigenlijk de laadruimte is, met onze ruggen naar het raam. Na een kwartiertje rijden pikte de chauffeur nog een Canadees en een Ier op die op het bankje tegenover ons werden geperst – onze knieën pasten als een rits in elkaar. “Bet you’re thrilled to see the likes of us” grijnsde de Canadees.

Twee klein uitgevallen reizigers zonder rugzak ware inderdaad praktischer geweest. En ook de bus naar Palomino vandaag had meer mensenvlees aan boord dan claustrofobisch toegestaan. Maar eigenlijk ben je hoe dan ook thrilled om mensen te zien. De bus vertrekt wanneer de bus vol zit. Tot het gangpad en de laadklep toe. In dat opzicht is elke passagier – met of zonder hond, rugzak, dozen eieren, baby, twee lange gordijnrails, in verpleegstersuniform of in gescheurde hotpants – die binnendruppelt goed nieuws. Iedereen brengt de bestemming weer wat dichterbij. Ik weet nog niet goed welke, maar er zit een mooie metafoor in.

Getagged , , , , ,

Colombia (deel 4)

13483135_10104234269871312_6603780287354637171_o

Geen verwarring mogelijk: we zijn aan de Caraïbische kust. Zodra we uit het vliegtuig stappen – hoe retrocool is het trouwens om op de tarmac zelf uit te stappen? – valt de hitte op ons neer. Dat vrouwen zich hier desondanks in skinny jeans wringen en de mannen een flanellen hemd wel cool vinden staan doet mijn poriën alleen maar harder huilen.

Technicolorbussen die er uitzien als de blikken dozen van Quality Street en een eindeloze stroom gele taxi’s die hier – in tegenstelling tot in Bogota – wel constant claxonneren begeleiden ons tot in het historisch centrum van Cartagena. Ontstaan in 1533, een ommuurde stad met heel wat donkere bladzijden. De poort waarlangs honderdduizenden Afrikaanse slaven het land werden binnengebracht staat er nog, het huidige Museo de la Inquisicion huist in het pand waar vroeger ook echt honderden mensen werden terechtgesteld. En toen de stad haar onafhankelijkheid van Spanje uitriep werd ze uitgehongerd, met 6000 doden tot gevolg. Maar anno 2016 is het een postkaartje, met pastelgekleurde gevels, witte paardenkoetsen waarin toeristen worden rondgetoerd en tieners in aandoenlijke schooluniformen. Restaurants te over, bakkerijtjes met cupcakes, winkels met designerbrillen en het eerste hotel waarin we heerlijk slapen zonder oordopjes.

Santa Marta, een busrit verder, is een ander verhaal. Niemand zal dit stadje op grandeur of zelfs veel stijl betrappen. Een handvol centrale straten zijn best gezellig maar als Cartagena van de sprookjeskoetsen is, dan is het hier van de plastic tuinstoelen. Nooit zag ik zoveel volwassen mannen op Crocs. Geld afhalen doe ik hier niet zorgeloos, Simon kreeg al meermaals cocaïne aangeboden (ik nooit, heel seksistisch) en toen we onze was oppikten in de lavanderia kroop er olijk een knoert van een kakkerlak over de vloer. Naar het strand gaan is 25 keer nee zeggen: tegen massages (waar ze overigens gewoon aan beginnen), tegen je haar laten vlechten met kraaltjes, tegen koffie en ijsjes en arepas, tegen kettinkjes en houten beeldjes en vis en koude dranken en inwendig ook tegen de schelle belletjes waar elke nieuwe verkoper zich mee aankondigt. Het is ook de eerste keer dat een hond tegen mijn strandstoel pist terwijl ik er in zit. Een poedel dan nog.

Maar goed! De mensen van het hotel zijn veruit de meest behulpzame tot nu toe, het ontbijt is eindelijk eens echt lekker, en de lieve Chileense die haar café-tv voor ons op Zweden-België zette verdient eeuwige dankbaarheid (en sorry voor het roepen en proficiat met Chili dat naar de finale van de Copa America gaat). Ook heel grappig hoe straathonden hier heilige koeien zijn. Zelfs de domst uit hun ogen kijkende exemplaren die zich midden in een drukke wandelstraat neervlijen worden niet verjaagd.

We zijn hier vooral omdat het een goede uitvalsbasis is naar Tayrona, het nationale park. Qua aanvoelen is de wandeling door dat park zo’n beetje als die ene warme serre in de Kruidtuin van Leuven. Vochtig, doef, zweet overal – maar in ruil krijg je prachtige stranden tussen gigantische rotsen in, torenhoge bomen vol lianen en door dorre blaadjes wegtrappelende tapirs. De rode kleurstof van mijn aarbeien-waterijsje kreeg ik de eerste uren niet van mijn handen gepoetst maar boy, wat voelde die helado welverdiend.

De laatste dagen van onze reis maken we tijd voor cadeautjes, nog een paar kleine dorpen hier in het noorden en dan de onvermijdelijke terugreis richting Bogota…

Getagged , , , , ,