Tagarchief: brussel

Nieuwe dynamoprojecten

Ik mocht de voorbije maanden een muziekles voor kleuters bijwonen, “voor het werk” naar de Zinneke Parade en met buggy en al naar een atelier in de Vaartkapoen waar enthousiaste vrouwen met plezier mijn baby vasthielden zodat ik foto’s kon maken van hun creaties. En toen had said baby al een dansshow achter de kiezen. Vier totaal verschillende dynamoPROJECTEN in Brussel, op poten gezet door enthousiaste leerkrachten en coaches die weten hoe ze anderen kunnen laten schitteren.

 

Advertenties
Getagged , , , , , , , , , ,

Interview met “nachtoppas”

Jean-Claude Vranckx (55) houdt niet zo van de term “vrijwilligerswerk” en ook niet van het woord “oppas”. Wat hij doet, voelt namelijk niet aan als werk en al zeker niet als oppassen. Maar hij doet het wel met hart en ziel.

Lees hier het hele interview.

 

Getagged , , ,

Ridders & rohypnol

Er was eens een kindje dat zo goed geslapen had dat haar mama haar in een berenpak stak en haar trakteerde op een uitstap naar centrum Brussel. Ze gingen langs boekenwinkel Passa Porta, een hoop klerenwinkels, Super Green Me en de hele tijd scheen het zonnetje en lachte het leven hen toe. Niet alleen het leven, maar vooral ook de Brusselse ridders. 

We kwamen ze tegen vandaag, ja, in grote getale. In metrostation Simonis was het een opgeschoten tienerjongen met magere benen die ons ter hulp kwam: hij zou de koets wel even mee de trappen afdragen. Ik verdenk hem ervan dat hij het vooral deed om indruk te maken op zijn vriendinnetje – een meisje met zorgvuldig gekrulde lokken die mijn ongedouchte zelve geen blik gunde. Na een lange gang kwam trap 2 en ook daar greep een man – solo deze keer – zonder veel poespas het voorste wiel. Eenmaal op de metro vroeg een andere man spontaan of ik wou zitten en bij de kinderwinkel L’asticot dook knight in shining armor nummer 4 op: de man met de korte paardenstaart mompelde nog iets over dat het wel vreemd was dat een kinderwinkel niet voorzien was op koetsen, hielp ons de trappen op en wenste me nog een bonne journée.

Op zoek naar een plek om te lunchen waar ik eventueel ook borstvoeding zou kunnen geven belandde ik in Chicago, een soort kindercafé. Ik kreeg het laatste vrije tafeltje, maar kon me amper concentreren op de menukaart. Dat het er druk zou zijn op een vakantiedag had ik wel verwacht maar het aantal decibels zat net één peuter-meltdown boven wat ik mentaal aan kon. Ik zag de twee vrouwen naast me ook een beetje bedenkelijk kijken (“Wij hébben niet eens kinderen bij, wat DOEN we hier?”), wierp een blik op mijn onverstoorbaar ronkend Beertje Rohypnol en besloot dat ik even goed door kon zetten tot thuis waar we allebei in alle rust zouden kunnen eten. En toen was daar ridder nummer 5: een lieve Chicago-vrouw met rood haar die volgens mij een beetje aan het aftellen was tot sluitingstijd. Ik hoefde niet eens iets te zeggen. “Druk he? Ik weet het. Het is echt superdruk. Sorry hoor. Nee, ik begrijp het, ik houd even de deur voor jullie open”. Ze deed niet zakelijk, niet emotioneel, niet fake bezorgd, maar heel gewoon: ze keek me in de ogen en ze begreep het. Dat dit het even niet was. Dat ik na die eerste 6 weken nog een beginner ben. Nog niet één van die onverstoorbare ouders die eender waar eender wanneer neerploffen en doen wat moet gebeuren. Ik moet Brussel een beetje opnieuw leren kennen, nieuwe routes uitstippelen, met veel liften, vlakke stoepen en brede passages. En als ik verkeerd loop, moet ik af en toe mijn kar keren. Of mijn koets.

We wandelden rustig naar IJzer waar een iets oudere man die op straat een beetje stond te keuvelen met grote passen naar ons toe kwam. “Je vous aide!”. Toen ik hem onderaan de eerste trap wou bedanken, beende hij weer voor ons uit: “Er is nog een trap! Kom maar, ik help u daar nog af.” Eenmaal op het perron gaf ik hem mijn breedste glimlach, een grand merci en een voorzichtig kneepje op zijn arm. Maar dat kon hij natuurlijk niet voelen, in zijn blinkende harnas.

Getagged ,

Interview vrijwilliger “1000Bxl en Transition”

Er zit kracht in het collectief. Wanneer we die krachten bundelen, kan dat veel moois opleveren voor onze dagelijkse levenskwaliteit. Dat is zo ongeveer de basis van “1000Bxl en Transition”, een Brusselse organisatie met een voorliefde voor concrete, lokale en creatieve initiatieven. Enkele jaren geleden kreeg de groep, die bestaat sinds 2013, versterking van Portugees Nuno Batalha. Uitgerekend op 5 december, De Dag van de Vrijwilliger, sprak ik met hem af.

Lees het interview hier!

Getagged , , , , ,

Vrijwilligers in Brussel

Omdat toekijken gemakkelijk is, probeer ik af en toe ook echt iets te doen voor Brussel. Zoals vrijwilliger zijn bij Toekomstatelier. Of vrijwillig artikels te schrijven OVER vrijwilligers in Brussel, all meta. Lees hier mijn eerste wapenfeit!

Tada12

Getagged , , ,

Hoe van Brussel te houden

Er zijn van die dingen waar jij op mag spuwen, maar anderen niet. Dingen waarop je kankert tot het schuim je op de lippen staat, maar waarvan je moeilijk kan verdragen dat andere mensen er laatdunkend over doen. Leuven, waar ik opgroeide, is zoiets. Dirty Dancing is zoiets (behalve dat ik nooit zou spuwen noch kankeren op Dirty Dancing). En Brussel. Zeker Brussel. Mijn pleidooi voor een hellhole met weinig vrienden.

Stap 1: Niet.

U bent hiermee waarschijnlijk in de meerderheid.

U haalt de vuile straten aan, het kamikaze-verkeer, de verloederde buurten, het “Is-dit-nog-wel-België-gevoel” (looking at you, Sally van Blind Getrouwd), de ingeslagen ruiten, de urinegeur in de trein- en metrostations, het dubbelparkeren, de dealers, het gebrekkige Nederlands (maar wel massa’s Arabisch), de onzinnige politieke spelletjes, de rottende tunnels en ga zo maar door. En op veel punten heeft u ronduit gelijk. Ik droom zelf ook van een hutje aan de zee.

Stap 2: Geef het tijd.

Ik wist niet zeker of ik naar hier wou komen. Collega’s die hier woonden vertelden zonder verpinken gruwelijke anekdotes over hoe ze overvallen, beroofd en gevierendeeld waren maar zeiden in dezelfde adem “topstad, gewoon doen”. Heel verwarrend. Een beetje zoals jonge ouders je vertellen dat ze niet meer weten wat seks is, geen tijd hebben om met hun ogen te knipperen en twijfelen aan elke levenskeuze die ze ooit maakten maar afsluiten met “baby’s zijn 24 karaats goud met hersenkwabben van pure engel, gewoon doen”. Niet te snappen tot je het zelf probeert, vermoed ik.

Toen ik hier de eerste keer naartoe kwam, sprintte ik snel weer weg. Een beetje geclaxonneer en ik verschrompelde als een slak. (Anno 2017 zou ik zonder verpinken “gore fuckhond” roepen of komt die claxon gewoon van mij, omdat die onnozelaar daar niet moet oversteken).

Toen ik hier de tweede keer naartoe kwam en wel bleef, vertelde iemand mij “Er zijn twee scenario’s. Ofwel loop je na één jaar gillend weg en kijk je nooit meer om. Ofwel word je verliefd en hang je er voor tien jaar aan.” Puur op koppigheid hield ik na dat eerste jaar vol. Ik woonde niet meer samen met de jongen die mijn hand vasthield bij de verhuis naar Brussel. Over mijn lijk dat ik zonder zijn handje meteen weer zou afdruipen. Ik had verdorie in Toronto gewoond, wat zou het Brussels Gewest mij dan plots te veel worden?

Blijkt dat verhuizen binnen je eigen land best pittig kan zijn. Ik ging in Leuven naar de kapper, de tandarts en de oogarts. Ik ging er nog vaker naar mijn toenmalig lief. Ik miste zo weinig mogelijk, al voelde ik ook dat zo’n spreidstand niet te lang mag duren.

Met de jaren liet ik steeds meer de railing los en schuifelde ik stilaan naar het midden van de ijspiste. Een Brusselse kapper. Mijn 29ste verjaardag vieren in Brussel. Een ander lief, met een Brussels adres.

Ik keek verder dan het centrum en ontdekte, ik zeg maar iets, de hippodroom in Bosvoorde. Toen ik filmpjes maakte voor de Koningin Elisabethwedstrijd zoefde ik met de cameraploeg door de decadent dure wijken van Posh Bruxelles. Ik ging naar de film en belandde toevallig in de Grand Eldorado. Ik begon met Bruxelles A Font – een Instagramprojectje waarin ik letters, woorden en logo’s fotografeerde op straat. Ik nam een stratenplan en duidde met een roze fluostift alle straten aan waar ik ooit al had gewandeld, om mijn eigen blinde vlekken te kunnen localiseren. (Nee, het is nog niet vol, maar wel steeds rozer).

Stap 3: Wees eerlijk.

Er zijn massa’s mensen die niet houden van steden. En dat is helemaal ok. Er zijn naar het schijnt zelfs mensen die niet van Parijs houden. Maar Brussel afrekenen op shit die typisch is voor steden en net zo goed in Antwerpen gebeurt, vind ik niet kosjer.

Het is makkelijk om de hellhole-mythologie waarheid te laten worden – des te meer als je hier weinig tijd doorbrengt. Ik was in het begin een poster child van de Bange Buitenstaander Beweging. Ik hield mijn huissleutels klaar in mijn hand, ik durfde mijn iPod (ha! Ver Verleden) niet gebruiken. Ik zag zoveel mensen die er anders uitzagen dan ik (of zo weinig die er hetzelfde uitzagen), die luidkeels op straat dingen stonden te zeggen die ik niet verstond, en ook dat vond ik bedreigend. En opnieuw, dat mag. Ik laat die gevoelens bij mezelf gewoon toe, als ze er zijn. Ik heb niet zo lang geleden “ik haat Molenbeek” gesmst naar mijn lief, en al klinkt het nu knullig, ik meende het toen uit de grond van mijn hart (al weet ik niet meer concreet wat er aan de hand was). Ik stapte vorig jaar na de aanslagen met heel dubbele gevoelens de metro op en ik betrapte mezelf op tranen van woede, gericht op al die vreemde mensen om mij heen. Niets mis mee.

Maar niets houdt je tegen om af en toe bij jezelf af te checken wat je projecteert en wat er écht aan de hand is. Wat de ene percipieert als een louche en levensgevaarlijke straathoek/medepassagier/situatie, daar haalt een ander fluitend zijn schouders voor op. Je bepaalt voor een groot stuk je eigen comfort zone. (En als je écht gelooft dat al het Kwaad van de Wereld zich verzamelt op een paar vierkante kilometer rond de Zenne, dan heb ik slecht nieuws).

Stap 4: Luister, praat, kijk.

Op de metro naar huis zat ik net naast een Italiaanse vrouw. Ze was aan het telefoneren en zei heel gemeend “Che bruto!”. Ging zeker over een fout vriendje. Zoiets vind ik leuk. De metro, zeker onder de Europese wijk, is altijd een beetje Babylon. (Een “Humans of Brussels”-fotoreeks zou er trouwens ogen te kort komen). Wat de kindjes van het Toekomstatelier allemaal vragen en zeggen, vind ik leuk. Dat er, toen ik laatst viel met de fiets omdat iemand zonder te kijken overstak en ik te bruusk moest remmen, twee zwarte meisjes vroegen of alles ok was, dat vind ik leuk. Dat mensen me vaak de weg vragen en dat ik hen meestal kan helpen, leuk. Dat de man die bedelt voor het wisselkantoor op de Gentsesteenweg en ik elke dag hallo tegen elkaar zeggen (en iets meer als we elkaar even niet gezien hebben), leuk. Het zero fucks-gehalte van Brussel is bijwijlen wraakroepend, maar het maakt tegelijkertijd dat mensen hier van weinig opkijken. De drempels zijn eigenlijk ontzettend laag.

Iedereen heeft bitchy resting face, ik in de eerste plaats. Niemand is Moeder Theresa, ik in de laatste plaats. Ik negeer heel veel mensen. Maar met je vizier op een kiertje ziet het landschap er al helemaal anders uit. We wonen in ons appartementsgebouw in Molenbeek onder één dak met Grieken, Turken, Congolezen, Marokkanen en van die Belgen – en we hebben met bijna iedereen een babbeltje (al vind ik die ene vrouw die alles over ons lijkt te weten en het zelfs merkt wanneer Simon een paar kilo is afgevallen wel stilaan een beetje akelig). Het is een petri-schaaltje. Soms gaat het stinken en schimmelen, maar soms is het ook geniaal. Of wist u niet dat dit allemaal één groot experiment was?

Stap 5: Relativeer.

Het is hier Caracas niet. Ik ben één keer op mijn plaats gezet, toen ik aan het zagen was over het Brusselse verkeer, door iemand die net terugkwam van China. Dat kon ik niet zo waarderen (Mag ik mijn eigen levenspijn nog kiezen DANKUWEL), maar ze had natuurlijk een punt. In the larger scheme of things is Brussel, naast honderden mastodont-steden, een piepkuiken. Een piepkuiken met een rokershoestje en een scherpe R, maar desalniettemin een babydier – en daar doen we lief tegen.

Stap 6: Gewoon.

Er wonen hier ongetwijfeld mensen die koekjes kakken, om even wat beeldspraak van mijn eindredacteur te lenen. En, aan het andere eind van het spectrum, is er sowieso ook een zeker quotiënt gore fuckhonden. Brussel is geen verre planeet. Het is gewoon een plek, met gebouwen en mensen, die meestal hun best doen, niet te vaak alleen willen zijn en wat geld willen verdienen. Een mindfuck van een mengelmoes, met mooie gevels. Bruut en oneindig zacht.

Getagged

Lichting 2016: RITCS (Kortfilm.be)

p1at49aebk1o8k1f4a1n0il8qa1h1

In het Royal Institute for Theatre, Cinema & Sound – het RITCS in de volksmond – wordt elk jaar hard met korte documentaires, animatie- en fictiefilms gegooid. Wat is van wie: in een sneltrein doorheen het grote aanbod alumni.

Lees verder op Kortfilm.Be.

Getagged , , , , , , , , ,

Quizas

Vorige week lachten mijn collega Gianni en ik er nog samen om: die vreselijke muzikanten op de metro, die ’s ochtends vroeg met een slechte box op wieltjes en een schelle microfoon “Volare” in je oor toeteren, “My Way” of de ultimate favorite “Quizás Quizás Quizás”. Ik heb in die fase van mijn dag echt nul behoefte aan lawaai, maar ergens heeft het ook een soort rottige charme, zoals heel Brussel.

Gisterenavond op café kwam het gesprek plots weer op de aanslagen van 22 maart – hoe we het nieuws hoorden, waar we de dag en de avond doorbrachten, hoe we ons de weken nadien voelden en organiseerden. Ook de metro nemen was die eerste keren natuurlijk anders, beklemmend. Alle stellen reden trager. Extra seconden om door het raam te kijken, maar buiten was niets te zien. De eerste weken stonden in Maalbeek enkel houten panelen, daarna het spierwitte station als vanouds. Binnen leek iedereen stiller, voorzichtiger. Elke rugzak werd gemonsterd. En nergens muzikanten te bespeuren.

14993494_10104668791481522_6241982421536893779_n

Dat mijn zenuwen meer gespannen stonden dan ik zelf door had, werd duidelijk toen één man out of the blue en a capella begon te zingen, het hele metrostel door. In een taal die ik niet herkende of kon plaatsen en op de toon van een gebed, of een soort chant. Misschien was het een oproep voor wereldvrede en harmonie. Misschien deed hij het om zichzelf te kalmeren en wou hij er ons ook een plezier mee doen. Misschien is die man wel stiekem de tofste peer ter wereld. Maar die eerste tien seconden werd ik er vooral heel erg kwaad van. Niet nu. Niet hier. Wat zeg jij, wat wil jij, is er gevaar? Hij zong, en dat was het. Er gebeurde niks. Ik heb ‘m sindsdien nog gezien en gehoord. Nu zit hij gewoon in mijn vakje ochtend-irritatie en niet in mijn vakje angst. Wat vreemd dat ik een zingende man op een bepaald moment heb ervaren als iets agressiefs.

Vandaag zag ik in het station van Maalbeek lelijke bruine graffiti. Stom, maar misschien ook het ultieme bewijs van back-to-normal. Ik werd extra verwend met een slechte box en een trompettist. Zo mag het blijven.

Getagged , , , ,

Lichting 2016: Sint-Lukas

Ook de Brusselse vestiging van LUCA Sint-Lukas levert dit jaar weer een roedel afstuderende filmmakers af. De Gouden Zaal van de Beursschouwburg vulde zich met nieuwsgierige fans en medestudenten die konden genieten van divers, doorleefd werk. Persoonlijke, authentieke en vaak bitterzoete verhalen van over de hele wereld, die de tijd krijgen om langzaamaan hun rauwe binnenste te laten zien.

594461375_1280x720

Het hoofdpersonage, de Letse Arta, woont in Riga – en worstelt met slapeloosheid. Op een nacht sluit ze zich buiten, waardoor ze urenlang in pyjama door de stad dwaalt. Ze heeft enkel een klein fototoestel bij zich waar ze slapende mensen mee portretteert. Wanneer een bus stopt aan de halte, blijken de chauffeur en alle passagiers in een diepe slaap verzonken te zijn – een absurd, maar prachtig en poëtisch beeld. Arta deinst er niet voor terug om bij mensen in te breken. Wanneer ze een kinderkamer binnenglipt en door de openstaande deur veraf het gejengel van een TV hoort, merk je weer hoe subliem de geluidsmontage is. De film begint met het beeld van een slapende zwerver in een bushokje en eindigt met datzelfde beeld – alleen zien we nu de rug van Arta, in datzelfde bushokje. Heerlijk.

Gepubliceerd op Kortfilm.be, oktober 2016

 

Getagged , , , , ,

Small talk

481147_10101188843310552_941555721_n

Alleen op de metro naar Molenbeek, om middernacht, in een kleedje. De kerel naast me doet zijn beklag over twee tierende dakloze mannen, vraagt welk boek ik aan het lezen ben en of ik nog studeer – bitch please (more please). Ik antwoord, lach en zeg bonsoir wanneer ik afstap. Einde verhaal. Soms kies ik ervoor om ostentatief afstand te houden, soms gok ik dat de interactie gewoon aangenaam kan verlopen. Je weet ’t nooit zeker en als vrouw heb je toch in je achterhoofd dat jouw small talk voor een ander kan klinken als pillow talk. Als het dan inderdaad leuk afloopt word ik daar altijd goedgezind van. Het is wat gewichtloos, zo’n korte ontmoeting, maar beter dan een vaag, anoniem angstgevoel naar die wereld vol onbekenden.

Ik ben geen natuurlijke, extraverte iedereen inpakkende netwerker. Toen ik maanden geleden met Simon naar een netwerkavond trok, in Brussel, had ik een handvol conversaties kunnen en moeten opstarten. Maar ik zag een zee van mannen in grijze pakken en babbelde 90% van de tijd met leuke mensen die ik al kende terwijl ik toegewijd toastjes en taartjes at. Toen we vertrokken deed ik wat lollig tegen de mensen bij de uitgang. Ik heb ook in vestiaires gewerkt en daar kan je shift lang duren. Een kwartier voor het evenement galoppeert iedereen voorbij terwijl ze hun beregend textiel naar je hoofd gooien en daarna is het een twee uur durend snoozefest, ver van alle actie. Je eindigt met een routineus “Alstublieft, fijne avond nog” tenzij je de frightening five hoort:

“Dit is niet mijn jas”

of

“Dankuwel. En mijn dure sjaal?”

Je zegt “Natúúrlijk!” met je meest professionele glimlach terwijl je perfect weet dat je geen plan B hebt en dat je nauwlettend in de gaten wordt gehouden tot het probleem is opgelost. Afhankelijk van het uur hangen er nog 200 jassen in een soort duizelingwekkend Ikea-ballenbad-scenario (zo-veel identieke zwarte en donkerblauwe exemplaartjes en daar moet ik nu gaan induiken?) ofwel enkel nog een K-Way en een kikkerparaplu en doe je alsof je diep nadenkt terwijl je de upperclass razernij voelt briesen in je nek.

Deze mensen waren wél professionals, visten onze jassen vlotjes uit de hoop en deden leuk terug. In die vrolijke golf glimlachte ik bij het buitenwandelen ook naar de security-man en wenste hem een mooie avond. Een jonge kerel in zo’n grijs uniform met een gezicht dat er in rusttoestand – hij stond al een tijdje te standbeelden – chagrijnig uitzag. En plots zag ik hem knipperen en breed glimlachen. Zijn verraste “Bonne soirée” transformeerde zijn gezicht en hij werd een jongere, blijere en vooral op één of andere manier minder verre mens. Een minicontact, maar ik werd er intens gelukkig van en ik kan het me nog exact voor de geest halen. Een beetje zoals ik de dag na de aanslagen in Brussel van achter het stuur oogcontact maakte met de mannen van de vuilkar voor mij, ik spontaan zwaaide en een ontroerend enthousiaste zwaai terug kreeg. Niets wat me zo kan opwarmen als een onverwachte emotionele kabelbaan.

Er zijn boeken vol geschreven over hoe anoniem het leven in een stad kan aanvoelen. De verlegen, ietwat achterdochtige misantroop in mij zit niet zo diep – het nieuws lezen elke ochtend voedt haar genoeg. Maar hoe heerlijk is het wanneer ze even geen poot heeft om op te staan.

 

554355_10101188843599972_912760173_n 

Getagged , , , , , ,
Advertenties