Auteursarchief: sofierycken

Queen

Ze zwaait nog snel naar ons en stapt dan, met een rugzakje waarvan één lus altijd een beetje afzakt, de speelplaats op. De juf van de eerste kleuterklas, dat is grote liefde. ’s Namiddags komt ze enthousiast en uitgehongerd de trap opgestormd: IK BEN NAAR SCHOOL GEWEEST! Plots kent ze de dagen van de week, het Jerusalema-liedje en moet ze giechelen om wat de poppenkastpoppen die dag weer te vertellen hadden. Op de klasblog deelt de juf een foto waarop ze voor een speelgoedcomputer zit. De jongen naast haar kijkt beteuterd toe hoe ze met een arm over de zijne reikt, alsof ze hem ongeduldig toont met welke shortcut hij een print screen kan maken.

Ze ging al twee keer naar de buitenschoolse opvang. Dat loopt nog niet zo. Er gaan veel kinderen van haar klas en van haar school, maar het blijft een andere omgeving met nieuwe gezichten, eigen regels en veel indrukken. En geen middagdutje.

‘Is dat jouw mama?’. Ze begint te huilen wanneer ze me ziet – ontlading, vermoeidheid. Ze heeft een ander shortje aan dan vanochtend. Drie grotere meisjes hebben zich duidelijk over haar ontfermd. In het Nederlands met een stevig Brussels randje beginnen ze door elkaar te praten: ‘Zij is zo schattig! Ik wil ook een kleine zus als dat! Is ze hier alleen?’. Ze vertellen me hoe ze heten, hoe oud ze zijn, welke talen ze spreken en hoe vaak ze naar de opvang komen – terwijl ik Frances knuffel en kalmeer. ‘Ze hebben mij ge-getroost’. Mijn hart, wat een schatjes.

We gaan vertrekken dus ik neem voorzichtig de plastic glittertiara van haar hoofd. Ze protesteert, tot ik beloof dat we zelf ook eentje zullen kopen. ‘Dat is mijn kroon, ik ben queen’, snift ze. De grote meisjes glunderen en zwaaien ons uit. Mijn queen zit achterop in haar fietsstoel en eist een chocoladekoek. Wanneer die op is, gaan we haar broertje ophalen, die eeuwig goedgezind is maar net als zijn moeder een beetje afknapt op te warme dagen. Mijn hart krimpt in elkaar als ik denk aan zijn wereld over 10 jaar, 20 jaar.

Online zie ik foto’s van kleuters – peuters – met hun hoofdjes op een stoeprand. Ik lees Amerikaanse nieuwsberichten over de bosbranden: “The family’s abandoned and wrecked car was found Tuesday afternoon and had been burnt, according to the Okanogan County Sheriff’s Office. On Wednesday morning, search-and-rescue crews found the family along the riverbank of the Columbia River; the man, 31, and woman, 26, had third-degree burns and their 1-year-old son was dead. The man and woman were taken to Three Rivers Hospital in Brewster“.

Boven ligt de koningin rustig te slapen, op een zacht kussen. Morgen mag haar fiets mee naar school (ze leren over verkeer – gisteren kwam de politie even langs) en daarna gaat ze voor het eerst in ongeveer een jaar naar de kapper. Het zouden allemaal oprecht vrolijke momenten moeten zijn, maar 2020 is het jaar waarin geluk bijna obsceen aanvoelt, bitter. Waarin de armen die je levenslang om hen heen wil slaan moeten opboksen tegen problemen van monsterlijke proporties, terwijl we olie op het vuur blijven gieten. Terwijl zij zich concentreert om grip te krijgen op de wereld, weet ik precies steeds minder welke kant het op moet.

‘Als het rood is, moet je stoppen, he mama?’.

The summer of two and a half

117118510_10164209889125372_7351865456435841341_o

In het park.

  • Welke kant moeten we uit om naar huis te gaan, Fran?
  • Die!
  • Nee, het is de andere kant.
  • POTFEDOMME!
  • Franneke, dat is niet…
  • (loopfietst naar de uitgang van het park) POTFEDOMME POTFEDOMME!

Aan de glijbaan.

  • Lukt het schat?
  • LAAT MIJ DOE-HOEN.
  • Ok. Goed zo, pop.
  • Mama, je moet niet altijd roepen op mij.
  • …? Ik roep toch niet? Ik moedig je gew…
  • GA weg, allez, achteruit! ACHTERUIT.
  • (kijkt even rond om in schatten exact hoe judgy de blikken van de andere ouders zijn)

Onderweg.

  • STOP STOOOOOOOOOOP!
  • (Hele straat kijkt om. Wij staan stil.)
  • (Fiets of stapt ons voorbij) Ik heb gewonnen!

Wherever.

  • Niet mee gooien, schat, dan gaat het stuk.
  • (Ze gooit. Het gaat stuk.)
  • Blijf eens bij ons.
  • (Ze loopt hard weg)
  • Eet eens met je vork.
  • (Ze eet met haar handen en wordt boos dat er eten aan haar vingers hangt)
  • Niet doen, zo doe je je broer pijn.
  • (Ze doet voort. Haar broer kajiet)
  • Houd je bellenblaas mooi rechtop.
  • (Binnen de minuut is al het zeepsopwater opgeslorpt door de grond)
  • Pas op, zo ga je vallen.
  • (Moet ik het nog zeggen?)

Aan tafel.

  • Ik wil die kaas!
  • Die lust jij niet.
  • (totale hysterie)
  • Fine, hier.
  • (knibbelt 3 seconden lang). Ik heb gi-noeg. (Legt afgekloven kaas op mijn bord)
  • (Drinkt slokje koffie)
  • Mama, eet jouw kaas eens op. Zo kunnen wij niet bravo doen.

Aan tafel (part 2)

  • Ik wil zelf smeren! (schept 300 gr boter uit het vlootje en begint die recht van het mes op te likken) Nu moet jij smeren.
  • (smeert)
  • NEE MET JOUW MES. Ik wil dat er op. IK GA DAT ZELF PAKKEN AAARRHGL. Ok. Nu moet jij de korsten wegdoen. NEE MET MIJN MES. Nu nog dat. LAAT MIJ DOEN.
  • Oui, chef.
  • (kijkt naar customised boterham die volledig volgens haar wensen is klaargemaakt). Ik wil een letterkoek. Nee, vijf.

In de auto.

  • Mama, ik wil ‘in the jungle’ horen.
  • (Vader zet ‘The lion sleeps tonight op’, merci Spotify)
  • *In da jungel de maaitie jungel slaapt de leeuw vanachter*
  • Het is vannacht, schat.
  • AWIMAWE AWIMAWE AWIMAWE AWIMAWE
  • (probeert een volzin te zeggen tegen vader)
  • MAMA MIJN SPEEEEEL!
  • (draait zich in onnatuurlijke bochten om haarspeld op te rapen en terug te geven)
  • OOOH MIJN DRINKBUS!!
  • Zoetje, ik kan niet alles oprapen de hele tijd. Als we aangekomen zijn, kan ik hem teruggeven.
  • (frutstelt weer in haar haar) MIJN SPEL IS LOOOOOS!

Voorleesmoment.

  • Jij moet daar zitten. NEE DAAR. Ja. NAAST HET DEKEN NIET OP HET DEKEN!
  • Rustig aan.
  • Ok. En nu jouw benen zo. Anders kan ik niet goed zitten. Zo ja, heel goed, mama. Flink. NEE NIET DE BOEKEN PAKKEN IKGADATDOEN!
  • Niet zo luid, schat, je broer slaapt al.
  • (Laat boek met een harde klap vallen op de grond) Ok. Zo vastpakken, mama, met jouw twee handen. Ok, begin maar.
  • Dit boek gaat over een heel groot…
  • PAARD!
  • Shh, een beetje stiller. Heel goed, een paard.
  • LAAT MIJ EENS DOEN.
  • (baby wordt wakker en begint te huilen).
  • Mama, MILES IS WAKKER!

De middagdut

  • Fran, kom eens hier.
  • (loopt weg)
  • Ga maar liggen.
  • (Springt als een vlo op en neer op het bed)
  • Stop ermee, ik wil dat jij gaat liggen.
  • (Giert het uit)
  • Fran, ik lach er niet mee. Het is tijd om te slapen.
  • IK WIL VIER VERHALEN.
  • Vanavond krijg jij verhalen, als we kort gaan slapen zijn er geen verhalen.
  • (Springt nog steeds op en neer)
  • Kom. Hier. Stop met springen.
  • Ik wil mijn beer.
  • Hier.
  • Ik wil drinken.
  • Hier.
  • Ik wil nog een warme fles melk.
  • Melk is voor ’s avonds.
  • Ik wil nog een liedje.
  • (zingt Old McDonald had a chocoladepudding, een eigen remix)
  • En nu nog een liedje!
  • Het is goed geweest, Fran, nu doe je je ogen dicht en ga je even slapen.
  • IK BEN WAKKER.
  • Dat weet ik, dat is net het probleem.
  • En als ik een aap was, mama?
  • Dan kreeg jij een banaan en zou ik jou nog altijd graag zien, maar nu moet je…
  • EN ALS IK EEN STINKDIER WAS MOEST IK IN BAD MET ZEEP.
  • Ja. Mama gaat weg, ga nu eens rustig liggen.
  • MIJN DEKEN IS NIET GOED.
  • Dat is omdat je niet stopt met wriemelen, houd je benen nu eens stil. Zo. Slaapwel.
  • MAMA.
  • Wat?
  • Mama.
  • Wat is er?
  • Mama.
  • Ja?
  • Mama.
  • Ik ga weg, slaapwel.
  • NEE MAMA. Als ik een aap was?
  • Ik kan het me amper voorstellen, maar dan was je nog altijd mijn vriend.
  • I laf you mama.
  • I love you too, schat.
  • POTFEDOMME.

 

 

Vaders

WhatsApp Image 2020-06-14 at 21.22.54

Met hun halflege badkamerkastjes, hun onverklaarbare koosnamen en hun bakjes vol rommel. Hun brede vingernagels, de koffietas die ze ooit cadeau kregen en extra gitaarsnaren op de vensterbank. Die blik. Sloffen. Lieve neuroses en hanenpoten. Hun mopjes die werken net omdat er sleet op zit. Hoe ze mama snel even naar zich toe trekken. Hun beste vriend, hun ‘de mannen van’. Lachrimpels en gegrijns. Gevloek, gegrommel, geniepige scheten. Handen in hun zakken en halvelingse reparaties. Hun trots. Hun speelgoed. Vuur en houtskool en sigaren. Harige benen en tedere kruinen. Hoe ze joviaal praten met iemand die ze niet kunnen luchten. Hun werk, elders, en ‘de werkskes’ thuis. Wat ze schreven toen je lang op reis was. Hun geur, hun geheimen, hun knipogen en gefonkel. Wilde spelletjes. Kietelmonsters. Koken op gevoel. Slapen in de zetel. Die pas, die je van ver herkent. Korte telefoontjes die eigenlijk gaan over mateloze bewondering. Onbeholpen open armen. Een stuk wit vel onder het horlogebandje. Schaamteloos gedweep met ‘heel straffe kerels’. Wat altijd onuitgesproken zal blijven en wat je nooit zal vergeten. Hun voorspelbare donderpreken en onpeilbare stiltes. Speeches. Dansmoves. Consequent zijn over De Regels In Dit Huis en niet veel later smelten als boter. Hun ‘eindelijk zit ik’-zucht. Hun favoriete automuziek, de tv-gezichten die ze niet kunnen ruiken, die acteur waarover ze elke keer zeggen ‘die zie ik toch graag bezig’. Dat zij ooit ook een kakelvers kindje, een klein broertje waren. Hun verkleurde vakantiefoto’s van 30 jaar geleden. Hun donkere bladzijden, hun natte ogen, hun wegslik-verdriet. Die ene tot op de draad versleten t-shirt. De oergezellige winterjas, literfles shampoo, en de niet meer perfect ronde trouwring.

***

Over de rol die je als vader overblijft schrijft Knausgard iets moois. 

Soms dacht ik dat het mijn enige taak was om me bezig te houden met de schaduwen zodat zij in het licht opgroeiden. Dat ik schaduwen opslokte.

(…)

Niet lang geleden in Artis, ik dronk koffie op een terras, hoorde ik de stem van mijn jongste dochter in de speeltuin boven alles uit ‘papa!’ roepen. Ik rende tussen de speeltoestellen door en vond haar hoog boven op de stalen cilinder waar de glijbaan doorheen liep; ze had zich hoger en hoger opgetrokken aan de naden van de cilinder, tot ze zich realiseerde dat ze niet terug kon en bang werd. Ik tilde haar ervan af, ze sloeg haar armen rond mijn nek en hield me stevig vast, haar kin op mijn schouder. Ik liet het duren, nieuwsgierig wanneer ze me weer los zou laten. Minutenlang stonden we daar onbeweeglijk in de speeltuin, en sterker dan ooit begreep ik dat het mijn enige taak in dit leven nog was om dit meisje en haar zusje veilig naar de overkant te brengen. Niks anders. Alleen dat, onderweg schaduwen opslokkend waar ik kan.

(‘Totdat het voorbij is’ – Tommy Wieringa)

 

Extraordinaire

2737907_imgs_1_3

Deze slogan zag ik op de zijkant van het bushokje hangen. Het alledaagse is buitengewoon, dat vat het verrassend goed samen. Bedankt, mij verder onbekend broodmerk. Ik zit niet zo te wachten op slogans deze dagen, maar deze onthou ik.

Niet ver van dat bushokje spreek ik regelmatig af met een vriendin uit de buurt, om ’s avonds, wanneer onze kinderen in bed liggen, een wandeling te maken. Dan praten we over onze dag, onze gezinnen, ons werk, onze families, reizen, boeken en over de vraag of deze crisis nu de ultieme reset wordt die (een deel van) de mensheid alsnog zal redden dan wel de genadeslag die ons allemaal letterlijk zal doen stikken in het kapitalisme. Zo’n dingen. Doet veel deugd.

WOLK

Tijdens onze meest recente ommegang trippelde er een klein wit hondje voorbij, zonder leiband, halsband of angst. Met een bijna journalistieke kennis van zaken zei ik meteen: “Dat is geen straathond, kijk hoe proper die is.” Sarah zei: “Straks loopt die onder een auto, dat wil ik echt niet zien”. Verder hield ze met plezier anderhalve meter afstand. Ik schepte het beestje op en het nestelde zich in mijn armen alsof wij al jaren elke dag naar de krantenwinkel slefferden. Geen scherpe nagels, geen kwijl, geen geblaf. Het levende wolkje keek me vrolijk aan, alsof die crisis gewoon een uit de hand gelopen dagdroom was. “Hoe anti zou Simon zijn?” ging er door mijn hoofd. Maar natuurlijk kwam het nooit zover. Het beestje toonde ons in welk appartementsgebouw we moesten zijn en daar duwden we op de bel van de conciërge. Klaar.

Even later passeerden we in het park een absurd luide kikker. Toen was het mijn beurt om gefascineerd en vol afgrijzen te blijven staan. Sarah vertelde iets over een loodjesgeweer en ik begon haar ervan te verdenken precies toch niet zo’n mega-dierenvriend te zijn. Maar dat is ok. We hebben nu toch geen wit hondje in huis waarop ge-dogsit zou moeten worden. Ook geen reizen, trouwens.

Ik hoef ook niet op reis, ik wil niets liever dan gewoon een tour de famille te doen deze zomer. Samen op het terras en in de tuin zitten, terwijl de kinderen als levende knutselwerkjes hun laagje zonnecreme volkleven met zand, gras en verrukking. In mijn mooiste zomerherinneringen steek ik ’s avonds laat mijn donkervuile voeten in een emmertje warm zeepwater, buiten op het terras, na een eindeloze dag buiten. Een blauw washandje en verder alleen de rust van een warme dag die langzaam uitademt. Pantoffeltjes aan en dan naar binnen voor een dessertje en wat jaren negentig-tv.

TROMPET

Ik trek me op aan de positieven. Autoluwe straten, bijvoorbeeld. Veel minder vliegtuigen die boven ons hoofd de landing inzetten. Zacht weer (al gaan bij mij ook wel sirenes af als het in april al zo droog en warm is) waardoor we buiten kunnen wandelen, spelen en fietsen. Leuke attenties in onze brievenbus. Begripvolle collega’s. Hulp en vriendelijke gezichten en mooie initiatieven. Een man die er meer dan de moed inhoudt. Kinderen die nog te jong zijn om te piekeren over leercurves, studierichtingen en examens en die overdag nog slapen.

Fran was gisteren “2-jarig”. Toen ze haar pyjamabroek aantrok, die de hele namiddag lekker warm voor het raam had gelegen zei ze “De zon heeft op mijn broek geblaasd”. Toen ik zei dat ik in slaap was gevallen, vroeg ze bezorgd “Uit jouw bed?”. Elke avond beginnen mensen in de buurt om 20u te applaudiseren en muziek te maken en elke avond sakkert ze op de trompettist: “Zo kan Fran niet slapen! Morgen mag jij weer trompet spelen.” En intussen is ze vertrokken met haar loopfietsje, dat we al maanden ostentatief laten rondslingeren in haar buurt. Het is een bitterzoete zegen dat we tantes, nonkels, peters, meters en grootouders onze kleine verwonderingen digitaal kunnen doorsturen. Kijk, hij zit alleen! Kijk, het lukt met haar loopfietsje! Kijk, ze kent weer een nieuwe letter! Er komen hartjes terug, applaus-emoji’s en complimenten. “Het gaat snel”. Het dagelijkse is meer dan ooit buitengewoon.

BRITNEY

Toen ik onlangs aan het joggen was in het park op de tonen van ‘Til the world ends’ van Britney, kreeg ik tranen in mijn ogen. Alles aan de vorige zin maakt duidelijk dat dit geen gewone tijden zijn. Maar zelfs ik besef dat ik in deze omstandigheden gewoon te weinig beweeg om goed te zijn en dus zelfs ik probeer nu wat te sporten. En als Britney zegt ‘Let it happen’ en ik voel me wat emotioneel, dan let ik het happenen. Ik kreeg het allemaal niet goed gerijmd: dat prachtig park, badend in het zonlicht, diertjes die zich meer dan ooit lijken te ontbolsteren nu wij niet meer constant alle ruimte inpakken en vervuilen… vol mensen met bedrukte gezichten in een ontegensprekelijk duistere periode.

Ik zie die Amerikaanse foto voor me: een vrouw met een bordje waarop in hoofdletters SACRIFICE THE WEAK staat. Ik zie de beelden van begrafenissen zonder volk. Ik denk aan de experten die waarschuwen dat er in de winter een tweede golf kan volgen. Aan huiselijk geweld, faillissementen, armoede, totale sociale isolatie, pas bevallen vrouwen die nu geen knuffel kunnen krijgen van hun eigen moeders. Ah, en aan al die oorlogsgebieden en vluchtelingen die niet in rook zijn opgegaan en aan het klimaat, dat misschien iets minder verkeer moet slikken nu maar zeker niet beter beschermd is.

En ik dacht, uiteraard, aan mijn eigen verdriet. Verjaardagen en andere vrolijke mijlpalen die passeren zonder knuffels. Gemis, plain & simple, aan al die evidente familiebezoekjes die nu plots uit den boze zijn. Tijd die gestolen lijkt en die we nooit gaan kunnen inhalen, want onze kinderen gaan niet krimpen (DIT IS GEEN SUGGESTIE VOOR IN JULLIE IDEEENBOX, RARE VIRUSDIEREN) en levens worden niet langer. Enfin, en zo bracht Britneys lied over hoe we de apocalyps tegemoet dansen mij dus aan het huilen. Al had het net zo goed Louis Neefs kunnen zijn.

 

 

Je de floop flee

Zouden mensen die in de supermarkt geconfronteerd werden met zo goed als lege rekken – en die dus noodgedwongen hun mandje moesten vullen met wat er nog was – iets hebben aan de recepten uit ons IKEA-keukentje? De peuter toverde vandaag kiwi in de oven met mayonnaise op tafel, met een halve appel (ongeschild) in een koffietas als toetje. Doe er uw voordeel mee.

Deze middag maakte ik spontaan een filmpje toen we samen ‘IJsbeer, ijsbeer, wat hoor je daar?’ van Eric Carle lazen – een boek waar ze al lang gek op is. Plots is er tijd om wel tien boeken na elkaar te lezen. Enfin, eigenlijk is die tijd er niet, maar ik wil haar ook niet de hele dag afwimpelen en haar broer slaapt net even. Het is fijn, zo naast elkaar, ook voor mijn angstige geest. Ik post het filmpje in de whatsapp-groepen van onze twee families en stuur het ook naar de meters en de peters. Het is daar druk deze dagen. Terwijl ik haar Facetime-drang normaal gezien wat temper, ga ik er nu vaker op in. Oma of tante nog eens bellen? Waarom ook niet. Ik weet op voorhand dat ze de telefoon zo schuin gaat houden dat enkel haar frou en ons plafond zichtbaar zijn en dat er buiten een paar ‘ja’s’ en totale non sequiturs weinig conversatie zal volgen, maar dat is ok. Elk gesprekje doet deugd, want het betekent eigenlijk altijd ‘Wij denken aan jullie en hopen dat het allemaal goed komt’.

Ze ziet een treintje op de kast staan met haar naam. De eerste letter kent ze al een tijdje als ‘haar letter’ en die spot ze OVERAL, tot op verpakkingen toe. Ik spel de andere drie letters: errr, aaah en nnnnuh. Ze knikt en gaat ze ook af: ‘Shushi, sesshies en shniis’. Help. Ik heb Joey gebaard die Frans leert.

a6574aca52aca2d294792dd0264695b5

We spelen met playdoh – hartjesvormpjes, wormpjes (worstjes) en kaas met gaatjes in alle kleuren van de regenboog. En ze haalt ook haar dokterstas boven. ‘Mama is ziek?’ vraagt ze, en begint meteen te knikken. Volleerd. Ze haalt de speelgoedkassa uit de kast, die met het scannertje dat rood licht geeft, en bestraalt zorgvuldig mijn handen en voeten. Een soort hypermoderne UV-therapie, vermoed ik. Ze lijkt tevreden. Niet alleen met mijn gezondheid, maar in het algemeen. Ze lijkt het niet vreemd te vinden dat we met z’n allen in het langste weekend ooit verzeild zijn en dat we nergens meer samen naartoe gaan. Benieuwd hoe lang dat duurt.

Terwijl ik dit snel aan het schrijven ben – het is niet dat er geen echt werk op mij ligt te roepen nu de kindjes in bed liggen – loopt er een berichtje binnen. ‘Even zwaaien aan jullie raam?’ Vrienden uit de buurt, die nog een avondwandelingetje maken om hun hoofd wat te verluchten. We praten, vanuit ons raam, zoals we nog nooit eerder gedaan hebben. Het doet deugd om elkaar te zien en te horen, nu we elkaar niet meer vanzelf kruisen aan de deur van de crèche. Het doet deugd om deze mindfuckery in woorden te gieten.

 

 

 

 

 

Creche

Ik ben de tel kwijt, maar ik ben al enkele honderden keren door de poort van onze crèche gewandeld. Met een baby in een draagzak. Met een 1-jarige in een buggy. Met een baby én een 1-jarige in een fietskar. In de blakende zon, de gietende regen en in het pikdonker. Die poort is de poort van onze dagen. Na het afzetten begint de dag echt. En na het ophalen gaat het wieltje stilaan langzamer draaien.

Ik ben er al in tranen toegekomen, hoogzwanger en moegetergd door een rellende peuter. Eén avond was ik te laat – ik stond hopeloos vast in de file en mijn man zat in het buitenland voor zijn werk – en rende zo snel mijn voeten mij dragen konden naar binnen, waar twee engelen mijn dochter en elkaar gezelschap hielden. In het kleine halletje heb ik al knuffels gekregen van andere mama’s, eindeloos veel babbeltjes gedaan met de poetsvrouw, hopen papieren knutselwerkjes bewonderd. Elke ochtend wijst onze dochter fier naar haar lockertje en kapstok. Ze inspecteert welke pantoffels er in de gang staan en licht me luidop toe welke kindjes er al zijn en wie nog moet toekomen. Als ze iets nieuws aan heeft, kan ze niet wachten om linea recta naar Natasja te catwalken, de kinderverzorgster wiens ‘ooohs’ en ‘wauws’ het meeste indruk maken. En ook als ze niet in vorm is, laat ze zich met plezier door haar optillen en paaien.

Na ons eerste bezoek was ik nochtans niet helemaal overtuigd. Was dit een goede plek? Zou ze hier gelukkig zijn? Was er genoeg plaats om te spelen, ook buiten? Ik had nooit iets anders overwogen dan mijn kind(eren) voltijds weg te brengen, net zoals mijn eigen moeder dat gedaan had. Maar de concrete realiteit – wegsprinten naar kantoor terwijl je vlees en bloed achterblijft ten huize ‘maximum 8 kinderen per aanwezige kinderbegeleider’ – klonk ronduit lelijk.

Na anderhalf jaar stel ik me sommige vragen niet meer. We zien met onze eigen ogen hoe goed onze dochter in haar vel zit, hoe enthousiast ze speelt. Maar één vraag blijft hangen: kunnen we echt niet beter dan dit? Vinden we de zorg voor de allerkleinsten zo onbelangrijk? Laat het grote geld maar elders naartoe vloeien – onze baby’s hebben niet veel nodig, zo blijkt. En als er een kinderverzorgster ziek wordt of door haar rug gaat van het eindeloze tillen en dragen en sussen, tsjah, dan moeten haar collega’s hun maximum maar wat optrekken. Tientallen pampers vervangen, kan dat niet nog wat efficiënter? Tranen drogen, ruzies doven, eten naar binnen lepelen en tussendoor taal, creativiteit en empathie stimuleren, het is blijkbaar niet zo waardevol dat er niet nog een beetje op bespaard kan worden. 1,3 procent minder werkingsmiddelen, om concreet te zijn. Amper 1,3 procent! Waar hebben we het over! Die baby’s mogen verdorie blij zijn dat ze geen theatervoorstellingen of kortfilms maken, ze zouden wel anders piepen. 

Ik ben eindeloos dankbaar voor de vrouwen die daar hun kas afdraaien. Ga er maar aan staan, elke dag opnieuw, tot half 7 ’s avonds. Ook op momenten dat je collega onverwacht uitvalt, elk kindje hoest en jengelt en je directrice je vertelt dat er nog steeds geen vervanger is gevonden voor die andere collega die weken geleden al ziek werd. Hetzelfde geldt uiteraard voor de mensen die zorgen voor onze zieken en bejaarden en al wie hulp nodig heeft. 

’s Avonds staat er vaak een hartje op het hand van onze dochter. ‘Van Odedie’ (Elodie). Het was ook Odedie die de kartonnen verjaardagskroon maakte die dit weekend vereeuwigd zal worden op een nieuwe reeks familiefoto’s. Even toveren met een paar nietjes, wat stickers en kleurpotloden. Het is het grootste werk dat er is.

 

10 nummers

Jonas Winterland nodigde mij uit om 10 dagen lang een nummer te posten dat belangrijk is geweest in mijn leven.

10. Charles Aznavour – eender wat

Charles Aznavour is mijn Madeleine-koekje. Deze muziek, dat is mijn moeder die op zondagmiddag staat te strijken in de kamer naast mijn slaapkamer. Ik hoor haar mee neuriën met de enige cd die ze ooit opzet terwijl ze kwistig extra stoom op de hemden van mijn vader loslaat. Psh. Psh. Franse vibrato – iets over jonge liefde en oude spijt. Psh. Soms zet ik me even op de vensterbank en kijk ik toe. Ik stel wat onzinnige vragen. Ik zou moeten oefenen, morgen is het weer gitaarles, maar zit liever hier. Ik ruik deze liedjes.

9. Cat Stevens – Wild World.

Cd’s waren voor de strijkkamer, platen waren strictly voor de living. Waaronder ook Tea for the Tillerman van Cat/Yusuf. Ik heb lang niet geweten wat een ‘tillerman’ in godsnaam was (volgens tinternet ‘person who steers a boat’ dan wel ‘a person who steers the rear wheels of a fire truck or controls its ladder) en ik vond de LP-hoes ook best creepy. Maar mama zei eens dat papa moest huilen met ‘Wild World‘ toen mijn oudere zus nog maar een peuter was omdat hij toen al dacht aan het moment waarop ze groot zou zijn en dat maakte behoorlijk veel indruk. Ook toen ik de teksten nog niet begreep voelde de plaat al als een warme, ruige jas.

8. Old McDonald had a farm

‘Wij gaan later toch geen kinderliedjes opzetten in de auto he?’. Twee jaar later piep ik – uiteraard – anders. Ik zing ze verdorie zelf! Ik had er niet aan gedacht hoe geweldig het is om dat bijna-twee stemmetje van op de achterbank te horen freestylen. Er is een olifantje in het bos, er zijn dieren die wonderen verrichten, zakken witte wol, haasjes vol adrenaline en sinds kort een heel arsenaal Sint-nummers. Ik zat onlangs achter het stuur met een innerlijke batterij van een bedroevende 18%. Maar zelfs dan, als mijn dochter met een brede smile vraagt of ik ‘Ie-jaa-joo’ wil zingen, dan zing ik.

7. Jasper Steverlinck / Bruce Springsteen – If I should fall behind.
https://www.youtube.com/watch?v=i2eBvLS_0vU

Op nummer 7 omdat we op de 7de getrouwd zijn. We hoorden dit nummer op de wei van Werchter – door de boss himself. Jasper was zo galant om het tijdens onze openingsdans te willen spelen.

6. Heather Nova – Island.

De eerste cd die ik ooit kocht – met een cadeaubon, vermoedelijk nog in de Free Record Shop – was Oyster van Heather Nova. Ik wist begot niet wat kiezen dus koos mijn oudere zus in mijn plaats. Cool plan, alleen had ik als 9-jarige totaal geen voeling met de muziek of de teksten over gebroken harten en misbruik. Maar met de tijd kwam dat en als tiener kon ik ook volop zwelgen.

5. Janet Baker – When I am laid.

Kippenvel. Ontdekt dankzij Alleen Elvis blijft bestaan.

4. Acda en de Munnik – Als je bij me weggaat

Ontdekt via een Nederlandse jongen waar ik als puber veel te lang een veel te groot boontje voor had. Hij brandde cd’s voor mij (ja, die tijd was het) van dit duo, stuurde ze op met de post en ik zong woord voor woord mee, want dan voelde het ergens alsof we met elkaar communiceerden.

3. Laura Marling – Crawled out of the sea

Liefde.

2. Feist – The limit to your love.

Of ik mee wou naar een concertje. Ze had gratis tickets via haar studentenjob bij de radio. Waarom niet? En zo kwam ik dankzij mijn Pools kotgenootje in Toronto terecht bij een concert van de mij toen totaal onbekende Feist. Wie wordt er nu niet binnen de eerste minuut verliefd op deze vrouw?

1. Tank and the Bangas

Als ik me slecht wil voelen luister ik naar Lera Lynn. Als ik me goed wil voelen naar deze band.

 

Heel

Dat Alanis er serieus naast zat met haar voorbeelden van ironie weten we al lang. Dus hier, neem deze: het ouderschap. Hoe omschrijf je anders dat het bijmaken van 200% nieuwe mensen ertoe leidt dat je je precies nooit meer 100% voelt?

Ik heb het niet zozeer over het slaapgebrek en de viruspiñata die de crèche heet. Ik heb het niet over die lamme arm omdat je het kindje dat per se met de fiets wou UITERAARD toch aan het dragen bent (en haar driewielertje in je andere hand). Ik heb het over het feit dat je met je gedachten altijd deels bij die kleine mensen bent, als ze in de buurt zijn en al helemaal als ze niet in de buurt zijn. Alsof je hersengolven dag en nacht op hun frequentie zijn afgestemd – soms heel subtiel, dan weer loeihard – waardoor er altijd een zachte ruis zit op je eigen bedenkingen. Ik heb het over hoe zoveel handelingen zoveel mentale omwegen vragen.

Is het tijd om te vertrekken? Heeft iedereen genoeg gegeten en gedronken? Zijn alle pampers proper? Raakt iedereen veilig de trap af? Heb ik alles bij? Nemen we de buggy of de draagzak of de fietskar? Regent het? Hoe ver moeten we? Gaan ze op de creche merken dat ik een pyjamabroek draag? Maakt het uit? Welke schoenen en jasjes doe ik hen aan? Niet doen, schatje. Kom jij eens hier? Nee, laat dat maar liggen. Dat gaan we niet meenemen. Oei, haal dat eens uit je mond. Ik zal je helpen, kom maar. Het is koud, dus doen we onze jas aan. Heb ik mijn sleutels? Schat, mama moet heel even terug naar boven, maar ik kom meteen terug, ok? Stap maar aan die kant. Stoppen bij het zebrapad. Zie je het groen licht? Nu moet je echt echt ECHT oversteken, anders is het weer rood. Nee, ik kan je niet pakken, lieveke. Geef maar een hand, maar kom nu. Ja, dat is een heel grote regenplas. Ja, dat is een hond. Je valt noodgedwongen eindeloos in herhaling. Je hoort jezelf dingen zeggen die je altijd associeerde met duffe moederkes die niets beter konden bedenken. Het is een stroom van gedachten en beslissingen en communicatie waarmee je alles goed wil laten verlopen, maar die je op een of andere manier ook erodeert.

the-funny-thing-about-kids-is-they-are-the-reason-48290774

Nog heel even en ik laat ook kind 2 elke werkdag achter bij iemand anders terwijl ik aan de andere kant van de stad mail, bel, praat, luister en gratis koffie tank. De vorige keer voelde dat alsof ik een ledemaat kwijt was. Mijn dag- en nachttaak zat, toch tot de vroege avond, plots bij iemand anders. De draaimolen staat even stil, de muziek staat af. Maar de vrijgekomen ruimte vult zich niet vanzelf weer met elegante passen vooruit en fijnzinnige toonladders tot een logisch geheel.

Ik weet dat het over een paar jaar anders zal zijn. Het praktische geharrewar blijft niet duren en ik begrijp de gelukzaligheid waarmee mijn oudere broer zich het moment voor de geest haalt waarop hij aan zijn kinderen vroeg om hun gordels vast te maken en hij twee perfecte klikjes hoorde. Op een dag horen we nog net ‘Ik ga effe naar Seb he!’ voor de voordeur dichtvalt. En kunnen we onze energie weer helemaal anders verdelen.

Als de tropenjaren je iets leren is het dat je meer kan dan je denkt. Ook op het moment dat je je even coherent en volledig voelt als een halfverteerde sliert zeewier daag je nog op. Ook dan hoor je je peuter vragen ‘Mama ie-ja-joo?’ en zing je Old McDonald had a farm. Met een moo moo hier en een fucking moo moo daar. Ie-ja ie-ja oo. Het zijn geen geniale doorbraken die de mensheid vooruithelpen. Maar het is een pleziertje voor een van mijn favoriete mensen. En dat moet even volstaan.

 

 

 

Scenes uit een huwelijksleven

  • Ik zal dat wel even voor jou installeren.
  • Dat is lief.
  • Waar is je laptop?
  • Hier. Ik heb wel niet meer veel batterij.
  • Ik snap niet dat je die niet insteekt overdag. Allez, geef je oplader. Wat is je paswoord?
  • XXX!
  • Nee, dat is niet juist.
  • Ah. Met een cijfer bij dan?
  • Nee. (begint ongemakkelijk te schuifelen)
  • Dan sowieso XXXX.
  • Nope. Komaan he.
  • Ben je zeker?
  • Ja, ik kan toch typen. Het is niet XXXX (steeds meer wenkbrauwhaartjes springen recht)
  • Goh. Geen idee dan.
  • Hoe kan dat?
  • Meestal wordt dat automatisch ingevuld, ik heb dat al heel lang niet meer zelf moeten typen.
  • Kies dan gewoon altijd hetzelfde paswoord.
  • Super onveilig. Probeer eens xxx?
  • Ook niet (Een ader tekent zich af). Is het met een hoofdletter?
  • Mogelijks.
  • Heb je dat nergens opgeschreven dan?
  • Ah nee, da’s ook totaal niet veilig.
  • (diepe zucht, meerdere vingers worden gekraakt). Ok, niet erg, je kan aangeven dat je het niet meer weet. Wat is je gebruikersnaam?
  • Mmmm. Bedoel je… Sofie?
  • Oh my god.
  • Ja ZEG. Dat moet ik ook nooit invullen normaal! Probeer eens dit.
  • Nope.
  • Ok, dat dan.
  • Ook niet. (Enkele tanden knarsen. De kat zwiept onrustig met zijn staart.) Met welk emailadres is dat verbonden?
  • Ik vermoed met gmail.
  • Je vermoedt het? Ik snap niet… Soit. Laat maar zitten. Je oude paswoord was ‘Appeltaart1’.
  • Appeltaart1?? Zo raar. Zegt me niks.
  • Bon. Je mag een nieuw kiezen, ik stel voor dat je iets pakt dat je wel kan onthouden en dat vanaf nu ergens bijhoudt.
  • Yes.
  • Waar is je identiteitskaart?
  • Ik denk in mijn portefeuille. Ja, voila!
  • Weet je tenminste de code van dit?
  • Ja, dat is 123.
  • Allez vooruit. Zover zijn we.
  • Hoera!
  • Ik ga nu de hele app gewoon wissen en herinstalleren.
  • Ok.
  • Wat is je paswoord voor de app store?
  • Pfoe. Geen flauw idee.
  • … (Een snoezig wolkje stoom ontsnapt uit het linkeroor)
  • Normaal gaat dat vanzelf. Met mijn vingerafdruk.
  • HOE BESTA JIJ IN DE WERELD!
  • Dat lukt wel.
  • Geef gewoon uw telefoon.
  • Hier! Oei, de batterij is precies plat. Heb jij mijn oplader ergens gezien?
  • (Staat op, graait een handvol koffiebonen uit het koffiemachine en begint rustig te kauwen, de blik op oneindig.)

 

 

Donker

We hebben onze zoon allebei al aangesproken met de foute naam (die van de kat). Gisteren bleek pas na enkele uren dat ik het schaap een pamper maatje 5 had omgedaan – uit de schuif van zijn grote zus. En ja, ik heb ’s nachts wel eens mijn hand uitgestoken om Simon wakker te schudden en hem te vragen waar Miles was om net op tijd te beseffen: gewoon hier, in je eigen armen, je hebt ‘m letterlijk vast, kalmeer. Mja. Mijn brein voelt een beetje als het Belgische treinverkeer, het bolt maar met aardig wat vertragingen en technische pannes. It’s clear from your vacant expressions, the lights are not all on upstairs.

‘Mama! Papaaa!’ Klik, nachtlampje aan. We schuifelen, met één open en één toegeplakt ooglid, op automatische piloot de gang door. ‘Het is nog donker buiten, kijk maar’ horen we onszelf zeggen tegen ons andere kindje, dat plots ook een paar gaten in onze nacht prikt. Misschien vindt ze het niet kunnen dat zij alleen ligt en wij allemaal samen. Misschien wil ze checken hoe snel we hier staan, aan haar zijde, moest er uit het donker plots iets opdoemen.

We maken net genoeg licht zodat ze ons kan zien. Nee, we gaan nog niet opstaan. Flesje? Kusje. Aaitje. Traantje wegvegen. Zoen voor de leeuw. Je deken. Slaap maar, schat, mama en papa slapen ook (zeiden ze vol hoop). Op kousenvoetjes weer terug, het nachtlampje klikt uit. Voor even. Tot de baby pruttelt en we hem op de tast niet kunnen helpen.

Light+on

’s Ochtends is er van de nachtelijke droefenis weinig te merken. ‘In een kein stashonnetje’ schalt door de badkamer en wij krijgen onze bevelen. ‘Bloek aandoen! Patoffeltjes! Allez kom!’. Het is nog altijd donker buiten. Ze is net groot genoeg om, op haar tenen, aan de lichtschakelaars te kunnen.

‘Zullen we zwaaien?’ Het is één van de weinige dingen waar ze ’s ochtends enthousiast over is. Ik til haar op de vensterbank en ze zet haar handjes tegen het keukenraam. Ze gaat door haar dak wanneer ze ziet dat de rosse poes van de buren buiten is. Er wonen geen mensen vlak achter ons, maar ik vraag me toch even af of iemand ons ziet staan. Ik heb nog niet in de spiegel gekeken, nog geen slok koffie op en ik draag het hemd waar ik in sliep, amper en waarschijnlijk fout geknoopt. Gelukkig kan ik me verstoppen achter Little Miss Sunshine. We zien een etage lager een fluohelm buitenstappen en beginnen te zwaaien. Dat blijven we doen tot het rode achterlicht de hoek omzwenkt. Ik zet haar terug op de grond en ze rent de kamer uit. Het begint te dagen.