Maandelijks archief: januari 2021

Woeste baren

“OK doomscrolling is bad but have you SEEN the quality of the doom this week?”. Twitter is een gruwelijk vat vol vergif, maar elke dag lees ik er ook wel iets dat de nagel op de kop slaat. 2020 mag dan voorbij zijn, 2021 heeft de estafettestok overgenomen EN HOE.

Het is geen gemakkelijke maand – en dat geldt voor veel mensen. Ik snap dat er links en rechts draadjes knappen. Iedereen is het beu, zeker wie snakt naar licht en zon en consequente maatregelen en zeker de cultuursector en de horeca en de kappers en de risicopatienten en de experten en de evenementensector en de tieners en de studenten en de zorgsector en de mensen met een beperking en de mantelzorgers en iedereen die rouwt en de mensen in de niet-rijke landen die nog een jaar of 3 mogen wachten op een vaccin, enfin, ongeveer iedereen behalve die man van Belfius of zo.

Elk boek en elke cursus over geluk zal je zeggen: leg de lat niet te hoog, wees dankbaar en focus je op kleine dingen die je blij maken. Ik geef alvast deze op een presenteerblaadje: TikTok – nog zo’n giftig maar verslavend beestje – subcategorie Sea Shanties. Zeemansliederen, jawel. Dat had je niet op je 2021-bingo-kaart, did you?

Hoewel er al zeedeuntjes op TikTok circuleerden – en uiteraard ook op YouTube en op weinig bezochte historische websites – is het deze zwart-witte Schot die het vuur recent aan de lont stak. Hij postte een mooie versie van ‘Soon may the Wellerman come’, een Nieuw-Zeelandse klassieker uit de 19de eeuw. Heerlijk accent, aanstekelijk deuntje, handig ingepikt op wat folky-romantische nostalgie (zie ook: Taylor Swift), sterke zet van Nathan Evans, een 26-jarige postbode. Op TikTok kan je in duet gaan met eender wie en dan opnieuw en opnieuw tot er een dozijn mensen die elkaar niet kennen samen aan het zingen slaan.

Als je nu even rondspeurt, vind je een hoop verschillende versies van dit walvisvaardersdeuntje gezongen door jong en oud, man en vrouw, zwart en wit. Beren van kerels met dikke baarden en tieners met een baseballpetje 2000 km verderop. Een bleek meisje haalt haar viool erbij. Een jongen doet met zijn verrassend diepe bas het haar op mijn armen rechtstaan. En een bonkend ritme als een stevige hartslag. Ik word er op slag verliefd van, op elk van deze mensen.

Shanties zijn au fond werkliederen. Ze samen zingen hielp de mensen aan boord van een zeilschip om de moed erin te houden, maar vooral ook om samen te werken op exact hetzelfde ritme. Alles moest met de hand gebeuren, dus dat was zwaar labeur (in dat kader: het programma Over de Oceaan is echt een aanrader): het anker binnenhalen, de zeilen heisen en weer naar beneden laten, water wegpompen… Als je met twintig mensen tegelijk aan zoiets werkt, helpt het om allemaal dezelfde cadans te volgen.

Een persoon – de shantyman – zingt voort en de anderen antwoorden. De liedjes werden mondeling doorgegeven, dus er zijn massa’s versies en varianten. Als dit je allemaal wat doet denken aan liederen die zwarte slaven vroeger zongen, dan klopt dat helemaal. Lees maar: “It is incredibly important to note that we owe the vast majority of our Shanties to black sailors. These men were former slaves, or the children of slaves. So many shanties can trace their roots back to the work songs sung in the cotton fields, and the Calypso style runs deep through many. There is a long and rich history of Black sailors (especially Afro-Caribbean), ships prided themselves on having “Chequerboard crews”. It could be well paid work for free men, and while discrimination and prejudice was still a problem, black sailors were held in incredibly high regard, we have evidence of this in many shanties.”

Ja, het is maar een onnozele hype. Zo gek ook. Liedjes gezongen door mensen die noodgedwongen weken of maanden op elkaars lip moesten leven aan boord van een schip, inclusief scheurbuik, terwijl we nu allemaal op ons eigen eiland zitten, inclusief duizend schermpjes. Maar wat had ik hier nood aan. Aan mensen die samen iets moois maken, zonder meer. Aan hoe muziek ons al eeuwenlang door de grootste ellende sleurt. Hoe we elkaar niet alleen de kop inslaan en uit de weg duwen, maar ook naast elkaar kunnen staan en elkaar kunnen versterken, zeker in rottige tijden – zoals bij die fantastische haka’s (Hoe je als groep andere mensen tot tranen toe beroert hoef je ze niet uit te leggen, daar in Nieuw-Zeeland. Ook niet hoe je een pandemie indamt, trouwens.) AAN PLEZIER EN SCHOONHEID. Aan het gekke diertje dat we zijn, met onze flapperende ledematen en toefjes haar en gekke rituelen en gewoontes. Aan wat we kunnen als we onze krachten bundelen, tijdens de storm. En hoe we daar regelmatig aan herinnerd moeten worden in een informatiestroom waar zoveel nadruk ligt op geweld, macht, venijn en conflict. En eens niet door een gewiekst marketingteam achter een piratenfilmfranchise, maar gewoon zomaar. (Ik weet het, de opgejaagde walvissen zullen indertijd niet zo ontroerd zijn geweest OK OK, maar dat leg ik even naast me neer. Toch zeker deze maand). Het doet me denken aan een groezelig bruin café, waar iedereen diepe rimpels heeft en het leven tegen je aanschuurt in plaats van digitaal voorbij te glijden. Oh, het geroezemoes in een café…

Gisterenavond stond Bozar in brand, de plek waar ik al enkele jaren de Koningin Elisabethwedstrijd van dichtbij heb mogen volgen en waar me zo vaak datzelfde gevoel overvalt, een soort hersteld geloof in (een aanzienlijk deel van) de mensheid. Telkens als ik naar buiten kwam na een repetitie of een finale-avond, met een brede glimlach, dacht ik bij mezelf: wereld toch, met je verkeer en je grijze wolken, je zou eens moeten weten wat hier net ontstaan is, binnen deze muren. Wat een kracht, wat een kunnen. Dat soort ervaringen delen is een van de dingen die ik vreselijk mis. De schade zou redelijk meevallen, dixit de eerste berichten, maar dat zegt tegelijk alles en niets. Gelukkig krijg je Schone Kunsten niet snel klein. En mensen ook niet. Laat je niet te gek maken.